Een theologisch stadssprookje


Eens, nog niet zo heel lang geleden, leefde er een groep bezielde christenen in een grote stad. De gemeente had net een paar moeilijke verhuizingen achter de rug. De financiële situatie verslechterde met het jaar. Af en toe gingen er gemeenteleden dood, maar nog minder kwamen er nieuwe bij. En de geestdrift van het verre begin was ver te zoeken. De gemeente zat met het handen in het haar: wat te doen? Hoe kan een kerk bestaan in een moderne wereldstad als de onze?

Op een goede zondag kregen ze de kolder in de kop. Het rook buiten al een beetje naar de lente. En gesterkt door de opbeurende woorden van de dominee ging de gehele gemeente door de deuren van de kerk naar buiten. Nu ja, allemaal. Er bleven er een paar achter in de kerk. Die waren in slaap gevallen. En een paar andere kerkgangers vonden het toch wel erg fris buiten en besloten toch maar huis te gaan. Andere kerkgangers hadden zo hun andere verplichtingen op deze drukke zondag en zochten hun heil elders.

Maar niettemin: het was een groep die je niet over het hoofd kon zien. Zo’n 150 gemeenteleden hadden zich achter hun statige dominee opgesteld. Hun opdracht was duidelijk, ze hadden het zonet nog in de preek gehoord. De dominee had hen voorgehouden: we moeten naar de wereld toe, want de wereld komt niet naar ons. We moeten naar de wereld om God te verkondigen. De wereld heeft namelijk behoefte aan God, maar God is vaak zo ver weg. Voor protestanten zeer ongewoon was dat de woorden van de dominee met applaus werden begroet. Sommige kerkgangers stonden zelfs op en scandeerden: “God naar de wereld brengen! God naar de wereld brengen!” En vol goede moed gingen ze, inmiddels wel wat uitgedund in aantal, op pad.

Als eerste trokken ze naar het nabij gelegen academisch ziekenhuis. Want als je God ergens heen moet gaan brengen, is het wel een ziekenhuis – daar waren de gemeenteleden het snel over eens. Aangekomen in de lobby van het ziekenhuis vroegen ze een receptioniste naar de afdeling ‘doodzieke mensen’. Want als je ergens God heen moet brengen, dan is het wel naar doodzieke mensen – ook dat snapten ze allemaal direct.

De receptioniste verwees hen vriendelijk door en het gehele gezelschap spoedde zich naar de afdeling hopeloze gevallen. Tussen de doodzieke nierpatiënten en de wegterende kankerpatiënten kozen ze een doodziek exemplaar uit. En nadat ze zich door de dokter hadden laten inpraten over de troosteloze toestand van patiënt x, begonnen de gemeenteleden en masse en overduidelijk voor ieder hoorbaar te zingen en te bidden. Of God zich over haar wilde ontfermen. Of God haar wilde genezen? Of God haar een mooie dood wilde geven?

Na een tijdje wenkte de doodzieke patiënt haar dokter, en ze fluisterde iets in zijn oor. De arts knikte en liep op de nog steeds enthousiast biddend kerkgangers af. ‘Wilt u misschien het ziekenhuis verlaten?’ sprak de arts met zachte stem: “Mevrouw wil rustig sterven, maar jullie leiden haar vreselijk af. Bovendien storen de andere patiënten zich aan uw geprevel.” En met zachte hand en hangende pootjes werden de gemeenteleden door arts en toegesnelde receptioniste naar buiten geleid. Wat nu te doen?

Gelukkig gingen de enthousiaste gemeenteleden niet bij de bakken neer zitten. Enkele van hen bedachten dat het gemeentehuis misschien wel een goede plek zou zijn om God te gaan brengen. Iedereen, zo zeiden ze, die iets van politiek weet, snapt dat ze dáár nu net behoefte zouden hebben aan God. En zo gezegd, zo gedaan: op naar het gemeentehuis, ging het. Gelukkig voor de kerkgangers had de wethouder deze middag een beetje een dooie middag: afspraken gingen niet door, en de stapel dossiers kon best nog een tikkie hoger worden. De wethouder was dus best bereid deze grote delegatie van bezorgde burgers van zijn mooie stad te ontvangen.

Voor de kerkgangers echter het gemeentehuis konden betreden, moesten ze hun neus dicht knijpen. Op de stoep van het gemeentehuis hadden de vuilnismannen een protestactie gepland, die er concreet in bestond om de afvalvoorraad van twee weken visafslag op de stoep van het gemeentehuis te deponeren. Of ze voor hen kwamen, vroeg een van de actievoerders. Nee voor de wethouder, gaven de kerkgangers aan. ‘Loopt u dan maar door,’ zo gebaarde hij. En zo deden de kerkgangers.

Binnengekomen bij de wethouder keken ze elkaar wat ongemakkelijk aan. ‘Zeg het maar, mensen,’ aldus de goedgeluimde wethouder: “Wat kan ik voor u doen?” De gemeenteleden wilden graag God op het gemeentehuis komen brengen, maar wisten eigenlijk niet hoe ze dat precies moesten aanpakken. En wie weet, misschien was de wethouder wel geen christen. Misschien wel een moslim. Of een atheïst. De dominee begon manmoedig met een politiek correct verhaal over een rechtvaardige samenleving waar voor iedereen ruimte en respect zou moeten zijn, en hoe de gemeente van de stad daar toch wel zorg voor zou moeten dragen. ‘Want zo wil God dat,’ dachten de kerkgangers erbij, maar ze zeiden niets.

Helaas voor de kerkgangers werd de inmiddels bijna slapende wethouder wreed door de bode gestoord. De bode fluisterde de wethouder iets in zijn oor. Hij sprong van zijn stoel en rende zonder iets tegen de gemeenteleden te zeggen, de deur van zijn kantoor uit. De iet wat verbaasde en verdwaasde gemeenteleden gingen op zoek naar de bode, die ze uiteindelijk vonden. ‘Waar is de wethouder gebleven?’ vroegen ze hem. “Er zijn bonnetjescontroleurs van de Rijksdienst voor Bonnetjescontrole aanwezig voor een onaangekondigde inspectie van gedeclareerde bonnetjes. Ik dacht dat de wethouder dat wel wilde weten.” Niemand hoorde ooit meer iets van de geplaagde wethouder en de gemeenteleden gingen met hangende pootjes het gemeentehuis uit, nog steeds wadend door het visafval van de stakende vuilnismannen.

Sjokkend langs de straten, kwamen ze een bibliotheek tegen. ‘Laten we God daar gaan brengen,’ zei een van de gemeenteleden. Zo gezegd, zo gedaan. In de bibliotheek gekomen zwermden de gemeenteleden uit als een groep sprinkhanen en ze begonnen alle non-fictie boeken te rangschikken op volgorde van waarheidsgehalte. Een aparte stapel werd gemaakt voor de boeken over intelligent design  – niemand, ook de dominee niet, wist waar ze dit moesten classificeren.

Na een uurtje was het werk klaar: alle boeken gesorteerd naar rato van hun inhoudelijke waarheid. De dominee stond te glunderen. De eerste zoekende bibliotheekgasten echter hadden het trucje van de gemeenteleden snel door en gingen hun eigen gang: ze selecteerde precies die boeken die ze lezen wilden, en sloegen geen acht op de categorisering van de gemeenteleden. Na enkele minuten kwamen er zelfs uit het niets bibliothecarissen uit alle gaten en hoeken en voor de gemeenteleden met hun ogen konden knipperen, waren alle boeken weer terug op hun oude plaats.

En zo ging het maar door. De gemeenteleden bezochten een cabaretvoorstelling in het plaatselijke theater. De cabaretier was grofgebekt en zei enkele zeer blasfemische woorden. En hoewel de gemeenteleden heel hard met zichzelf hadden afgesproken tijdens de voorstelling te protesteren, moesten ze eigenlijk alleen maar heel hard lachen. Na afloop stonden ze buiten en keken ze elkaar beschaamd aan: niemand had eraan gedacht God naar het theater te brengen.

Na afloop liepen de gemeenteleden nog door het stadsparkje waar allerlei stelletjes, zwaar verliefd, met elkaar flirtten en vreeën. De ene helft van de gemeenteleden sloeg zedig de ogen neer, terwijl de andere helft de vrijende stelletje een folder voor de huwelijkscatechisatie in de hand drukten. Gek genoeg kwam er een week later niemand op de catecheseavond.

Vermoeid en bedrukt trokken de paar gemeenteleden die de hele odyssee hadden meegemaakt zich terug in de plaatselijke snackbar. Achter de toonbank stond Jezus zelf, maar de gemeenteleden herkenden hem natuurlijk niet. Wie de hele tijd op een geliefde gedrukt zit, vergeet soms een beetje hoe hij ervan een afstandje uitziet. Boven kroketten en bamiballen zaten de gemeenteleden tegen elkaar te bokken. Ze wilden God zo graag naar de wereld brengen, maar kennelijk zat er niemand op God te wachten. Wat een ondankbare wereld. Nee, wat een blinde wereld. De wereld had God zo hard nodig, maar dat had niemand door – behalve zij dan, maar zij kende God al, dachten ze.

De goddelijke snackbareigenaar luisterde het gemopper een tijdje aan en richtte zich toen tot de gemeente. Hij vroeg: “Wat is er toch aan de hand met jullie?” Eén van de gemeenteleden gaf antwoord voor hen allen: “Wij willen God zo graag naar de wereld en naar de mensen brengen, maar niemand heeft belangstelling.” De snackbareigenaar moest heel hard lachen en schudde zijn hoofd. De gemeenteleden voelden zich in hun eer en waardigheid aangetast en vroegen waarom hij zo sceptisch deed. De eigenaar zei: “Je hoeft mij niet bij de mensen te brengen, want daar ben ik al lang.”

De gemeenteleden schudden hun hoofd. ‘Dat is niet waar, Heer’ – ze hadden hem ineens herkend, maar ze waren gelukkig niet geschrokken; ze kenden Hem eigenlijk al – ‘waar hebben we u dan gezien?’ Jezus antwoordde: “In de vrouw die op sterven lag: zij kent de berusting van het graf. In de vuilnisman die in staking was gegaan: hij kent de zorg voor zijn geliefden. In de bode op het gemeentehuis: hij kent loyaliteit. In de bibliothecaris die jullie boeken weer rechtzette: hij kent de liefde voor waarheid en schoonheid. In de cabaretier die zo leuke grapjes over mij maakte: hij kent de lach die bevrijdt. In de vrijende stelletjes in het park: zij kennen de liefde die eeuwig is. Daar was ik de hele tijd. Maar jullie hebben mij niet herkend.’

De gemeenteleden zwegen. En ze dachten lang en diep na.

Bron: Theologie.nl