Pasen ligt al weer achter ons, ik weet ‘t, maar ik moet er toch nog even een keer over beginnen. Er is namelijk één element van de Paasliturgie dat mijns inziens veel te weinig aandacht krijgt. Tijdens de Paasjubelzang – het zogenaamde Exultet, wij Roomschen zijn gek op ons Latijn – klinkt de volgende vreemde bede in onze oren:

O certe necessárium Adæ peccátum, quod Christi morte delétum est!
O felix culpa, quæ talem ac tantum méruit habére Redemptórem!

O waarlijk noodzakelijke zonde van Adam, waardoor Christus de dood moest vernietigen!
O waarlijk gelukkige schuld, waardoor wij zo’n geschikte verlosser hebben gekregen!

De dichter van het Exultet is buiten zichzelf van religieuze opwinding. Het licht dat Christus is, is net binnengedragen in de duisternis van de Paasnacht. ‘Het gaat om deze nacht…,’ blijft hij maar herhalen: ‘het is deze nacht dat we uit het slavenhuis van Egypte zijn geleid’, ‘het is deze nacht dat christenen over de hele wereld de treurige duisternis van de zonden afwerpen’, ‘het is deze nacht dat God de tralies van de dood heeft verbroken’, enzovoorts.

Het kerkgebouw schudt als ’t ware op zijn grondvesten, de gelovigen in de kerk houden de adem in. Het is als je favoriete film: je weet best hoe die afloopt, maar elke keer weer ben je in extase om de dramatiek van het moment.

Te ver

Maar dan lijkt de dichter zich toch danig te vergalopperen. Hij gaat te ver. Hij loopt op de grens en stapt er met beide voeten over. Hij zingt over een ‘noodzakelijke zonde’ door Adam begaan en over een ‘gelukkige schuld’ die ons de verlossing heeft opgeleverd. Zonden zijn over het algemeen niet noodzakelijk: het zijn keuzes die we maken. Liegen we tegen onze collega over zijn presentaties of niet? Draaien we ons hoofd om als een vrouw wordt lastiggevallen op straat of niet? Nemen we die Oekraïense vluchtelingen wel of niet op in huis?

(Ik wil wel Oekraïense vluchtelingen opnemen natuurlijk, maar mijn huis is te klein. Ik heb geen extra slaapkamer over. En bovendien: ik woon in een klein Brabants dorpje, daar hebben die mensen uit Kiev niets aan, die zijn de drukte van de grote stad gewend. Bovendien is het ook gewoon onhandig om vreemde mensen in huis te hebben. Ik kan ze niet eens verstaan. Dus ja, sorry, ik kan er ook niets aan doen… Zucht. De hypocriet in de spiegel, die ik thuis zie!)

Zonden zijn niet noodzakelijk, daar kiezen we voor (of tegen). Maar in het Exultet wordt Adams zonde geprezen omdat deze eerste der zonden, de ongehoorzaamheid tegen God en zijn gebod zelf, toch even mooi ervoor gezorgd heeft dat God moest incarneren in Jezus, die vervolgens eigenhandig de dood een koppie kleiner maakte. En dat was niet alleen voor Hem handig, maar helemaal voor ieder van ons. Dus eigenlijk moeten we Adam dankbaar zijn om zijn overtreding. Een heilige eigenlijk!

Felix culpa

En zo gaat de dichter maar door. Hij zingt over een felix culpa: de zonde is niet alleen noodzakelijk, maar we moeten er zelfs blij van raken. Want als Adam niet gezondigd had, niet die enorme fout gemaakt had, ja, dan hadden we niet zo’n geweldige verlosser gehad als Jezus van Nazareth. En zeg nu zelf: dat zou toch zonde geweest zijn? Geen Kerstmis, geen Pasen, geen Pinksteren – en vooral, geen extra vrije dagen in ’t jaar. Dat wil niemand op zijn geweten hebben natuurlijk.

In de traditie is er heel wat discussie geweest over de felix culpa zoals de kwestie bekend is komen te staan. Veel theologen vonden het maar linke soep al dat geneuzel over zonden-die-eigenlijk-zegeningen-bleken-te-zijn. Voor je ’t weet gaan gewone gelovigen ook zo over hun eigen zonden denken en dat moeten we voorkomen natuurlijk. Niet voor niets kreeg de Nederlandse dichter Huub Oosterhuis de wind van voren toen hij schreef: “Looft Hem in uw zonde, looft Hem kwaad en goed.” (Lied in de vuuroven)

Maar niettemin heeft de felix culpa de eeuwen overleefd, waarschijnlijk omdat de verschillende kerkvorsten en liturgisten wel aanvoelden dat er iets heel belangrijks verloren zou gaan als deze frases zouden sneuvelen op het altaar van de theologische correctheid. Het doet me denken aan het adagium van Tertullianus (of liever gezegd, aan hem toegeschreven): credo quia absurdum, ‘ik geloof omdat het absurd is’. (Eigenlijk schreef hij in De carne Christi: ‘het is zeker, omdat het onmogelijk is’; certum est, quia impossibile.)

Wie eenmaal besloten heeft – tegen beter weten in – in God te geloven, ziet de hele wereld ineens in een totaal ander licht: boven wordt onder, donker wordt licht, zonde wordt genade. Het is deze absurditeit die uit de felix culpa spreekt.

Maria

Roomschen zouden geen Roomschen zijn als we niet ook een Mariale variant op deze paasabsurditeit zouden hebben gevonden. In het 15e-eeuwse ‘kerstlied’ Adam lay ybounden is de volgende tekst te lezen:

Ne hadde the appil taken ben, ne hadde never our lady a ben heavene quen.
Blyssid be the tyme that appil take was, therefore we mown syngyn Deo gratias.

Als je ’t een beetje met een Engels accent uitspreekt, begrijp je wel wat er staat. Ik doe een poging tot een Nederlandse vertaling:

Als de appel niet genomen was, hadden wij nooit onze Vrouwe als hemelse koningin gehad.
Gezegend is de tijd waarin de appel werd genomen, daarom mogen we zingen ‘God zij dank’.

Hier wordt de felix culpa uitgebreid naar de figuur van Maria. Als Adam de verboden vrucht niet had opgeknabbeld (de appel komt van het Latijnse malum, dat zowel ‘zonde’ als ‘appel’ kan betekenen), dan zou Jezus nooit geboren zijn. En de onloochenbare katholieke redenatie is dan natuurlijk: als Jezus nooit geboren was, zou Maria nooit de Zoon van God hebben gebaard en daarmee nooit verheven zijn de Koningin der Hemelen. Appeltje-eitje dus. De ‘gelukkige schuld’ uit het Exultet is een van de vreemdste stukjes theologie die we in onze christelijke liturgie hebben. Ik hoop dat ’t er altijd in zal blijven staan als bokkige getuigenis van een Godswonder dat zich altijd uiteindelijk aan ons logisch verstand onttrekt. Wat overblijft is de vreugde van de Paasnacht, verlicht door het bibberende vlammetje van een kaars. Ik geloof omdat het absurd is.

Bron: Theologie.nl