Ik kende eens een man, een man zonder gezicht. Hij woonde alleen in een oud en wankel huis aan het einde van de straat. Vroeger kwam hij nog beneden, maar sinds zijn kinderen het huis verlieten, zat hij hoog en droog op de eerste verdieping. Bij het raam zag hij de wereld steeds sneller aan zich voorbij razen. Hij telde de dagen op zijn wandelstok vol met kerven en zocht in de maanloze nacht het gezicht van het mannetje op de maan.

Soms kreeg de man bezoek van een vrouw met vuurrood haar. Als zij z’n heiligdom betrad, baadde de oude man in het zweet en vatten de servetten op zijn tafel langzaam vlam. Op harde toon schreeuwde zij hem toe: ‘Ik zal jullie verzengen met mijn vuur, verschroeien met mijn warmte, verbranden met mijn sintels.’ Als de man haar vroeg waarom zij zo boos was, antwoordde ze: ‘Omdat jullie het vuur niet langer waardig zijn’.

Soms kreeg de man ook nog bezoek van een groenogige kabouter, om wiens hoofd voortdurend een regenbuitje hing. De kamer van de man stond dan even onder water totdat het door de geopende deur van de trap afstroomde. Op zachte toon fluisterde het mannetje: ‘Ik zal jullie verdrinken met mijn water, verzwelgen in mijn vloed, wegspoelen met mijn malse regens.’ Als de man hem vroeg waarom ie zo wraakzuchtig was, antwoordde hij: ‘Omdat jullie het water niet langer waardig zijn’. En de man keek uit zijn raam. En de dagen werden maanden en de maanden werden jaren.

Het werd heter en heter in de straat van de oude man. Soms echter regende het zo hard dat hij stoelen, auto’s en zelfs mensen langs zag drijven. Op een dag daalde hij af naar de straat. Onder de modder voor zijn huis haalde hij een klein vrouwtje tevoorschijn. Hij kuste haar en ze spreidde haar vleugels en vloog weg. Haar naam is Hoop en oneindig is haar leven. Houd haar vast.

Bron: Groen