In Brechts en Weills Die sieben Todsünden bezoeken twee zussen grote Amerikaanse steden als Memphis, Los Angeles, Boston en San Francisco op zoek naar fortuin zodat hun familie een klein huisje aan de rivier kan aanschaffen. De pointe van dit satirische ballet chanté is dat de twee zussen, Anna I en Anna II, eigenlijk één en dezelfde figuur zijn, twee polen van éen karakter, representatief voor de ambivalentie van elke mens. Elk van de zeven steden, die de ‘zussen’ bezoeken, staat voor een van de zeven hoofdzonden: traagheid, trots, wraak, vraatzucht, lust, hebzucht en afgunst. Het ballet is daarmee dan ook een diepteboring van de menselijke ziel en tegelijk een satirisch commentaar op het gemak waarmee de mens aan deze zonden toegeeft.

Brechts libretto sluit hiermee verrassend strak aan op de oorsprong van het idee van de zeven hoofdzonden, de titel van het ballet chanté. De zeven hoofdzonden zagen namelijk het levenslicht in de Egyptische en Syrische woestijn van zestien eeuwen geleden. De woestijn werd toentertijd bevolkt met mannen en vrouwen die hun nette, burgerlijke en in hun ogen decadente maatschappij de rug hadden toegekeerd om in eenzaamheid en eenvoud God en zichzelf te vinden. De aanvoerders van deze cenobieten, eerbiedig ‘woestijnvaderen’ genoemd, hielden zich als anachronistische psychotherapeuten intensief bezig met hun eigen geestelijke welzijn en dat van alle leerlingen die zich bij hen hadden aangesloten op zoek naar goddelijke verlichting.

Woestijnvaderen

Een van de beroemdste woestijnvaderen – er waren overigens ook woestijnmoederen – is Evagrius van Pontus (c. 345-399), die zijn lange ervaring als geestelijk leidsman gebuikte om alle zondigheid die hij had leren kennen van zichzelf en zijn leerlingen in te delen in ‘acht slechte gedachten’: vraatzucht, lust, hebzucht, verdriet, woede, traagheid, ijdelheid en trots. Evagrius, goede zielzorger als hij was, leerde zijn volgelingen dat het zinloos is om deze gedachten te ontkennen – iedereen heeft ze namelijk – maar dat je wel kan leren er op een gezonde manier mee om te gaan. Een ‘slechte’ gedachte aan een mooie, aantrekkelijke man of vrouw is niet zo erg, maar als je nergens anders meer aan kan denken, ontstaat er een probleem.

Deze acht slechte gedachten van Evagrius begonnen vervolgens aan een lange tocht door de christelijke traditie, waarbij namen en getallen nog wel eens kunnen wisselen. Zo schreef de grote theoloog Johannes Cassianus (c. 360-435) over ‘acht principiële fouten’, wat toch weer net iets anders is dan slechte gedachten. De woestijnvader was een amateur-psycholoog, bezorgd om de geestelijke ontwikkeling van zijn leerlingen: slechte gedachten leveren namelijk geestelijke nood op. De theoloog Johannes keek vooral naar een set van acht fouten als een soort kapstok om alle menselijke zondigheden te kunnen indelen. Seks met de vrouw van je collega? Kwestie van lust. Je cv oppoetsen met niet-bestaande academische graden? Dan ben je ijdel. Enzovoorts.

De hervormingspaus Gregorius (c. 540-604) – later niet voor niets ‘de grote’ genoemd – koos weer een meer dramatische voorstelling van zaken. Deze paus schreef over de menselijke ziel als een slachtveld waarop de goede en kwade machten strijd met elkaar voeren. Denk aan het Disney-hondje Pluto dat –  als hij een geurige taart wil opeten – bezoek krijgt van een engel- en duivelsversie van zichzelf, die hem of probeert af te brengen van zijn zondig voornemen of hem er juist toe aanzet. Gregorius schetste zeven, geen acht meer, ‘principiële ondeugden’, die zich als luitenants aan het hoofd van het vijandige leger opstellen, klaar om de menselijke ziel over te nemen.

Het was de – misschien wel allerberoemdste – theoloog Thomas van Aquino (c. 1225-1274) die begon te schrijven over de zeven ‘hoofdzonden’ zoals we die nu min of eer nog steeds kennen en die Brecht en Weill gebruikten voor hun Die sieben Todsünden. Een goede lezer heeft nu overigens al opgemerkt dat het de hele tijd over hoofdzonden gaat, terwijl het ballet chanté spreekt over de zeven doodzonden. Binnen de christelijke traditie bestaat er een verschil tussen hoofd- en doodzonden. De eerste zijn een classificatiesysteem, zoals hierboven al uitgelegd. De tweede slaan op die zonden die de individuele gelovige direct een enkeltje hel opleveren. In de praktijk lopen die twee namen echter nogal eens door elkaar heen.

Hoofdzonden, doodzonden

De zeven hoofdzonden, dus ook – onterecht naar niettemin – Todsünden in het Duits of deadly sins in het Engels genoemd, spelen nog altijd een belangrijke rol in ons cultureel universum. Zo schilderde onze eigen Jheronimus Bosch (c. 1450-1516) de zeven in een grote cirkel met evenveel kleine taferelen: boeren vechtend op een weide (woede), een burenruzie (afgunst), een corrupte rechter (hebzucht), een smulpartij in een herberg (gulzigheid), een man die door zijn religieuze plichten heen slaapt (luiheid), een decadent feestje (lust) en een vrouw die zichzelf bewondert in een spiegel door een duiveltje omhoog gehouden (hoogmoed). De Italiaanse dichter Dante Alighieri (1265-1321), bekend van zijn Goddelijke Komedie, gebruikte de zeven als inspiratie voor de straffen in zijn Inferno. In deze contrapasso spiegelen de straffen de aard van de zonde. Zo giert er een eeuwige storm door de tweede kring van de hel die de zielen van de wellustigen rond blaast, en branden liegende politici en ambtenaren in een bad van kokend pek in de achtste kring.  

Het bekendste voorbeeld is misschien van Se7en (1995) van regisseur David Fincher. In deze film vormen de zeven hoofdzonden de inspiratiebron voor de psychopathische moordenaar John Doe (Kevin Spacey), die – net als Dante – zonde en straf aan elkaar verbindt. De detectives David Mills (Brad Pitt) en William Somerset (Morgan Freeman) treffen de slachtoffers aan: een man die zoveel moet eten dat zijn maag scheurt (vraatzucht), een advocaat met een pond vlees uit zijn lichaam gesneden (hebzucht), een drugsdealer/kinderverkrachter met afgesneden geslachtsdelen (traagheid), een prostituee verkracht door een klant met een ­strap-on mes (lust) en een model dat liever mooi en dood is dan toegetakeld en levend (hoogmoed). Voor de laatste twee zonden doodt John Doe eerst Mills’ zwangere vrouw Tracy (jaloezie ten opzichte van hun liefdesrelatie) en provoceert hij Mills om hem ter plekke dood te schieten (wraak ten opzichte van Doe). 

De zeven zonden zijn niet alleen onderdeel van onze cultuur, van Brecht, Dante en Bosch, maar ook van ieder van ons. Het zijn spiegels van onze ziel. Zo zijn ze ook ooit begonnen in de Egyptische woestijn. De zeven zonden bestaan niet buiten ons, ze leven in ons, ze maken ons tot wie wij zijn, een uiteindelijke combinatie van een heiige en een duiveltje. En iedereen die de zeven gebruikt, weet dat hij of zij een doorsnee van het menselijk leven te pakken heeft. En daarom zijn ze zo fascinerend, die zeven: wie erin kijkt, kijkt in de spiegel van zijn eigen ziel.

Bron: Odeon (Nationaal Ballet/Opera)