Maria Magdalena. Getuige van de verrijzenis. Apostel der apostelen. Jezus’ meest geliefde leerling. Bekeerde zondares. De bedachtzame Maria van Betanië. De vrouw uit wie Jezus zeven demonen dreef. Zus van Marta en Lazarus, die door Jezus uit de graf werd geroepen. Iedereen kent haar en toch weten we vrij weinig over deze interessante vrouw. Films zijn over haar leven gemaakt, bibliotheken volgeschreven over haar betekenis, tweeduizend jaar hebben kunstenaars haar afgebeeld – vaak met vlammende, lange, losse haren. Wie is deze vrouw, wat lezen we over haar in het Nieuwe Testament en waar komt die veelvormigheid vandaan?

Als de vier evangelisten het in de Bijbel ergens over eens zijn, is het wel dat Maria Magdalena een prominente getuige was van het ‘hoogtepunt’ van Jezus’ aardse leven: van de kruisiging, de graflegging en de verrijzenis zelf. Het is in alle verhalen Maria die als eerste de verrezen Jezus ziet. Aan haar valt dan ook de taak om het nieuws van de verrijzenis aan de andere (mannelijke) apostelen te gaan vertellen. In de versie van Johannes krijgt Maria Magdalena ook nog een privémoment met haar leraar. In een bekende scène ziet Maria Jezus aan voor de tuinman en onder tranen vraagt zij hem om raad. Pas als Jezus haar bij de naam noemt, herkent ze hem. Noli me tangere, staat er dan in het Latijn te lezen, ‘Houd me niet vast’ of ‘Raak me niet aan’. De ontmoeting kan niet fysiek worden en het blijft bij het uitwisselen van enkele woorden.

Zwijgzaam

Verder is het Nieuwe Testament nogal zwijgzaam over deze bijzondere vrouw. Ze wordt door Lucas opgevoerd als onderdeel van een grotere groep vrouwen die voor Jezus en zijn vrienden zorgt. Het is ook deze Lucas die over haar vertelt dat uit haar ‘zeven demonen’ zijn verdreven door Jezus. Wie nieuwsgierig is naar deze ongetwijfeld intrigerende scène kan lang zoeken: in het hele Nieuwe Testament komt deze niet voor. Dat weerhield latere theologen er echter niet van om driftig in de nieuwtestamentische verhalen te grasduinen om de gaten in het verhaal van Maria Magdalena te vullen.

Zo krijgen in de traditie al snel verschillende naamloze vrouwen uit het Nieuwe Testament de naam van Maria Magdalena opgeplakt. Sommige vroege auteurs identificeren haar met de overspelige vrouw uit het Evangelie volgens Johannes, waardoor een eerste identificatie wordt gemaakt tussen Maria Magdalena en prostitutie. Deze associatie wordt nog versterkt door de vereenzelviging met de naamloze vrouw uit het Evangelie volgens Marcus, die door Lucas het predicaat ‘zondares’ krijgt opgeplakt, en

Jezus’ hoofd (Marcus en Mattëus) of voeten (Lucas en Johannes) zalft. Als Johannes diezelfde naamloze vrouw ook nog eens gelijk lijkt te stellen aan Maria, de zus van Marta en Lazarus, is de beer helemaal los.

Gregorius de Grote

Het is paus Gregorius de Grote (540-604) die met zijn preken de ‘uitgebreide versie’ van Maria Magdalena officieel maakt. Maria is dan geworden tot een bekeerde prostituee, die Jezus’ hoofd en voeten zalft als uiting van berouw over haar zondigheid. Uiteindelijk mag ze, bij wijze van beloning voor haar bekering en berouw, getuige zijn van Jezus’ overwinning op de dood. De zeven demonen worden vervolgens geïnterpreteerd als de zeven hoofdzonden, waardoor de grootsheid van Maria’s zondigheid en bekering nogmaals wordt benadrukt.

Maria Magdalena wordt na de verrijzenis van Jezus niet meer genoemd in de teksten van het Nieuwe Testament, hoewel ze in enkele vroegchristelijke geschriften opduikt die geen deel uitmaken van de Bijbel, zoals in het Evangelie volgens Filippus en het Evangelie volgens Maria. Deze teksten zijn echter zwaar beschadigd overgeleverd dus ook deze leveren een fragmentarisch beeld op.

Legendes

Ook in verschillende middeleeuwse legendenverzamelingen komen we Maria Magdalena na Christus’ wederopstanding tegen. De Vita eremetica beatae Mariae Magdalenae uit de negende eeuw baseert haar levensverhaal op dat van Maria van Egypte (344-421), beschermheilige van vrouwen die boete doen. Hierin is de getuige van de verrijzenis veranderd in een kluizenaar. In de woestijn blijft Maria Magdalena haar vroegere zondigheid uitboeten.

In de Vita Apostolica (11e eeuw) vinden we Maria’s legendarische landing op de Zuid-Franse kust, nabij Marseille. Het is deze legende die de bron vormt voor de verering van de relieken van Maria Magdalena in Sainte-Maximin-La-Sainte-Baume, maar vooral in het veel bekendere Vézelay. Het middeleeuwse standaardwerk over heiligenlevens, de Legenda aurea (13e eeuw) neemt zowel de landing in Zuid-Frankrijk als het kluizenaarschap over,
naast de identificatie met Maria van Betanië en de boetvaardige vrouw van losse zeden.

Eerherstel

Het heeft tot 1969 geduurd voordat een paus officieel een eind maakte aan de verwarring tussen de verschillende bijbelse vrouwen. Hiermee bevestigde Paulus VI de al veel eerder getrokken conclusies van academische theologen en bijbelwetenschappers en kwam Maria Magdalena weer op zichzelf te staan. In maart 2016 kondigde paus Franciscus aan haar feestdag op 22 juli te verheffen naar de categorie van kerkelijk feest. Hiermee kreeg ze dezelfde status als de meerderheid van Jezus’ mannelijke leerlingen, die al eeuwen eerder een dergelijke feestdag toegekend hadden gekregen.

Zo keert Maria Magdalena terug naar haar bijbelse wortels, naar getuige van de verrijzenis en als eerste verkondiger van de levende Christus.

Bron: Catharijneconvent, Museummagazine juni 2021