Het nieuwe boek De eeuwige nar van cultuurtheoloog Frank G. Bosman gaat over de toekomst van het religieus gemeenschapsleven. Berne Media heeft het prikkelende boek uitgegeven in het kader van het 900-jarige bestaan van de norbertijner orde. Hoewel zij – net als andere religieuze gemeenschappen – met steeds minder zijn, is het boek van Bosman geen grafrede, maar juist een bemoediging. Religieuzen zijn dwazen en eigentijdse narren, omdat hun leefwijze een teken van tegenspraak is: “Zij keren de maatschappelijke status quo voortdurend om en laten zien dat het niet om de beroepspoliticus in Den Haag gaat, maar om de vuilnisman in Heusden.” In gesprek met een eigenzinnige omdenker. (Hieronder enkele citaten, volg daarna de link.)

Hoe is het met uw eigen narrigheid gesteld?
“Ik beschouw mezelf wel een beetje als een nar die op de gekste plekken over God aan het praten is. In seculiere kringen, zoals in interviews voor kranten, tv en radio, neem ik vaak wel de narrige positie in door een stukje van de goddelijke realiteit te laten doorklinken. Soms ben ik in interviews licht ontregelend, omdat ik niet bang ben om me kwetsbaar op te stellen, dat ik een mens ben van vlees en bloed, met blijdschap en met verdriet. Ik zou het niet erg vinden als ze op mijn begrafenis zingen: ‘Hij was maar een clown.’ Dan zou ik erg gelukkig zijn.”

Hoe ver reikt uw dwaasheid?
“Ik ben niet iemand die de beker van de christelijke dwaasheid geheel tot op de bodem durft te legen. Zo heilig en volmaakt ben ik niet. ‘Laat alles achter, geef al je bezittingen weg, neem afscheid van je moeder, vader, vrouw en kinderen, neem je kruis op en volg mij.’ Dat kan ik niet… terwijl ik het appèl wel voel. In mijn leven probeer ik het narrige, het dwarse op een bescheiden manier vorm te geven. We zaten een keer in de tuin en er rammelde een man aan het hek en hij schreeuwde in paniek: ‘Laat me erin, laat me erin!’ Ik deinsde terug, had de neiging om naar binnen te gaan en net te doen alsof ik hem niet hoorde. Toen dacht ik obstinaat; nee, nee, nee, we gaan het eens helemaal anders doen. Dus ik liet de man binnen. Hij verstopte zich in een hoekje van mijn tuin en ik vroeg hem: ‘Wat is er aan de hand?’ Hij zocht een veilig heenkomen, omdat iemand hem op straat had bedreigd. Bij een aantal deuren had hij aangebeld en op tuindeuren geklopt, maar niemand had open gedaan. Ik ben niet zo’n held hoor, maar ik geloof wel heilig dat het anders kan. Heel veel kleine gebaren kunnen de wereld wezenlijk veranderen.”

Bron: Abdij van Berne