De zomer is pas begonnen als de Tour de France dat is. Zo is het altijd gegaan in huize Bosman. Toen ik nog bij mijn ouders woonde, luisterden mijn vader en ik via de radio. En nu ik al decennia op mijzelf woon, luisteren mijn vrouw en ik nog steeds, zij het nu naar het televisiecommentaar. Soms gaat het om duivelse afdalingen of stampende beklimmingen, soms over doping en spijkers-op-de-weg en af en toe dommelen we zelfs zachtjes in als de Franse televisie het ene na het andere vakantiekasteel vertoont.

Wielrennen is overigens een bij uitstek rooms-katholiek gebeuren. Dat zeg ik niet, dat zou ik niet durven uiteraard, dat zegt Mart Smeets. En als De Mart het zegt, dan is ’t zo. Dat weet elke sportliefhebber. In het Katholiek Nieuwsblad (7-7-12) stelt hij: ‘De wielersport is per definitie een katholieke sport.’ En wie zou hem durven tegenspreken? Smeets duidde overigens in dit geval op de katholieke lenigheid elkaar de zonden te kunnen vergeven, beter bekend als de biecht, ook als het om doping gaat bijvoorbeeld.

Tertio interviewde nog onlangs Julien Vermote, profwielrenner en openlijk katholiek. Hij vertelt dat het verhaal van de talenten (Matteüs 25:14-30) grote impact heeft op de manier waarop hij in het leven staat. Het wielrennen kent immers ook allerlei specifieke talenten: tijdrijders, klimmers, knechten en spurters. Niet ieder mens durft zichzelf maximaal te geven, maar – zo zegt hij – ‘dat bijbels verhaal zorgde er wel voor dat ik mijn limieten durf af te tasten en op mijn talent durf te vertrouwen.’

Wielrennen is dus een katholieke sport. Vijf jaar geleden, in 2016, schreef ik er al luchtig over in mijn boekje God heeft ook een fiets. Kleine theologie van het wielrennen. Niet over de talenten, maar wel over de versnellingenloze omafiets – een tandem – waarop God zijn rondjes door het bestaan heen peddelt. Iedereen die moe is en gewond door het leven, kan achterop springen en wat kilometers op verhaal komen. Meetrappen mag, maar is zeker niet verplicht.

Fiets als de renner die wint

Nu de Tour van 2021 van start gaat en de familie Bosman weer drie weken overdag voor de beeldbuis hangt, dringt zich een nieuwe bijbeltekst aan mij op, de beroemde passage uit de eerste Korinthebrief (9:24-27). Ook zo toepasbaar op het wielrennen. De passage luidt als volgt:

Weet u niet dat van de atleten die in het stadion een wedloop houden er maar één de prijs kan winnen? Ren als de atleet die wint. Iedereen die aan een wedstrijd deelneemt beheerst zich in alles; atleten doen het voor een vergankelijke erekrans, wij echter voor een onvergankelijke. Daarom ren ik niet als iemand die geen doel heeft, vecht ik niet als een vuistvechter die in de lucht slaat. Ik hard mijzelf en oefen me in zelfbeheersing, want ik wil niet aan anderen de spelregels opleggen om uiteindelijk zelf te worden gediskwalificeerd.

1 Korintiërs 9:24-27

Paulus weet donders goed aan wie hij zijn metafoor voorhoudt. De Griekse stad Korinthe was in die tijd wereldberoemd om zijn Isthmische Spelen, een panhelleense reeks wedstrijden ter ere van de beschermer van de stad, de god Poseidon. Eeuwige glorie en een flinke som geld wachtten de winnaars, die elkaar bestreden met wagenrennen, worstelen en boksen. Het zijn precies ook deze voorbeelden die Paulus in zijn brief noemt. Hoe voor de hand liggend was het om deze heidense spelen af te keuren? Niet alleen waren de Isthmische Spelen aan een afgod toegewijd, maar de atleten sportten naakt met elkaar. De joden hadden daar een probleem mee, niet in de laatste plaats omdat ze in adamskostuum makkelijk werden herkend als volgelingen van Abraham. Maar in plaats van de spelen categorisch af te wijzen, gebruikt Paulus ze als voorbeeld voor hoe het er in het geloof aan toe gaat.

Je kan Paulus’ tekst zo transformeren naar de Tour de France van 2021. Ik doe een poging.

Weet u niet dat van de wielrenners die in de Tour de France meedoen er maar één de gele trui kan winnen? Fiets als de renner die wint. Iedereen die aan een wielerkoers deelneemt beheerst zich in alles; wielrenners doen het voor een vergankelijke erekrans, wij echter voor een onvergankelijke. Daarom fiets ik niet als iemand die geen doel heeft, vecht ik niet als een knecht zonder meester. Ik hard mijzelf en oefen me in zelfbeheersing, want ik wil niet aan anderen de spelregels opleggen om uiteindelijk zelf te worden gediskwalificeerd.

Paulus moedigt zijn lezers aan net zoveel moeite te doen voor het koninkrijk Gods als wielrenners doen om de Tour de France te winnen. En eigenlijk moeten wij nog net iets harder fietsen, aangezien ons loon in de hemel eeuwig is en die voor de Tourwinnaar (uiteindelijk) vergankelijk. En zo wordt elke sportwedstrijd een preek en elke Touretappe een contemplatie, niet alleen voor de sporters maar ook voor de toeschouwers. Ik brand maar een kaarsje bij de televisie als de renners weer van start gaan. Niet ter ere van vergankelijke atleten, maar vanwege de God die onopvallend meefietst in het peloton. Op een oude, versnellingenloze tandem.

Bron: DeBijbel.nl
Foto: Peter Hellebrand