Wie zich ooit aan middeleeuwse filosofie heeft gewaagd, weet hoe gek de scholastici waren op het discussiëren over engelen. Voor een nietsvermoedende Nederlander uit de 21e lijkt dit geneuzel over ‘fantasiewezentjes’ vast onzinnig. Maar voor de goede verstaander is er intellectueel heel wat te smikkelen. Omdat engelen namelijk heel erg op mensen lijken, kan je in de minieme verschillen tussen de twee soorten schepsels precies aanwijzen wat een mens tot een mens maakt.

Door de ongunstigheid der tijden zijn de engelen – helaas – bijna geheel verdwenen uit de academische discussie – alleen theologie houdt dapper stand. Hun plek als gedachtenexperiment over de condition humaine is echter overgenomen door de robots en artificiële intelligenties uit onze boeken, films en videogames. Data uit Star Trek, C-3PO uit Star Wars of Janet uit The Good Place-serie, ze lijken (heel erg) op mensen, maar ze zijn het niet. Data worstelt met het hebben van emoties en Janet met haar liefde voor een sterveling. En precies dat – aldus de theorie – wijst aan wat een mens zo menselijk maakt. We hebben emoties, robots niet. We worden verliefd, robots niet.

Of toch wel? In de game The Turing Test – vernoemt naar Alan Turning, die tijdens de Tweede Wereldoorlog de Duitse enigmacodes kraakte – discussiëren de astronaut Eva Turing(!) geregeld met een eigenwijze boordcomputer TOM geheten. Ava wil de hele tijd graag het unieke van haar eigen mens-zijn benadrukken, maar TOM is niet onder de indruk. Mensen hebben ethiek, zegt ze. Ethiek is niets anders dan logisch nadenken, dat kan ik ook, antwoordt TOM. Ik ben creatief, probeert Ava. Je bedoelt gewoon de beste keuze maken uit een chaos van toevalligheden, dat kan ik ook.

The Turing Test laat zien dat robots niet zozeer op ons lijken, maar wij op hen. En met elke stap die zij zetten, stellen ze fundamentele vragen over wie of wat wij nu eigenlijk (denken te) zijn.

Bron: Groen/CU