Nu het jaarlijkse wielerfeest dat Tour de France heet toch van start is gegaan, zien we één ding ten overvloede bevestigd: wielrennen is de katholiekste aller sporten.

De Tour de France ging op 29 augustus – twee maanden te laat – dan eindelijk van start en dat is eigenlijk een wonder op zich. De Tour wacht op niemand, ook niet op het coronavirus en zijn wrange vruchten. De tweede etappe werd gewonnen door de Franse favoriet Julian Alaphilippe. Vlak voor de finish wist hij zijn directe concurrenten voor de dagzege net voor te blijven.

Op de finish, zeker van zijn overwinning, kuste hij de top van zijn rechter wijsvinger en hief die triomfantelijk ten hemel. Na de streep toonde de 28-jarige professional zich zeer emotioneel. Gezeten op het asfalt tegen een dranghek snikte hij het uit. “Deze zegen betekent heel veel voor mij”, vertelde Alaphilippe tijdens de persconferentie met waterige ogen. “Ik had mezelf beloofd dat ik een rit zou winnen voor mijn vader.”

Soort hoogmis

Alaphilippes vader, een beroepsmusicus, leed al langere tijd aan een slepende ziekte. Tijdens de Tour van 2019 keek Jo Alaphilippe vanuit een rolstoel naar zijn zoon die in dat jaar twee etappes won en lange tijd geletruidrager was. In juni, midden in de coronacrisis, overleed hij, tot groot verdriet van zijn zoon. Zijn overwinning in Nice droeg Alaphilippe aan hem op met een kus en een ten hemel geheven vinger. De blik van de Fransman volgde zijn vinger en één luttele seconde lijken de twee mannen elkaar even te zien, de een op aarde, de ander in de hemel.

Het zijn deze en talloze andere verhalen die bewijzen wat de legendarische sportjournalist Mart Smeets al in 2012 tegen Katholiek Nieuwsblad zei: “Wielrennen is per definitie een katholieke sport.” Waar Smeets vooral de katholieke biechtpraktijk aan het aan de wielersport klevende dopinggebruik koppelde (“met drie weesgegroetjes ben je van al je problemen af ”), zijn er talloze meer positieve voorbeelden. Jan Janssen, de eerste Nederlandse tourwinnaar ooit, omschreef, ook in KN (2009), het wielrennen als “eigenlijk een soort hoogmis”. En drievoudig etappewinnaar Rini Wagtmans fietste naar eigen zeggen nooit zonder de rozenkrans van zijn opa en een Christoffelmedaille.

Wielrennen is een katholieke sport, altijd al geweest. Zo moest in de Tour van 1948 de Italiaanse wielerlegende Gino Bartali, bijgenaamd il pio (‘de zalige’), het opnemen tegen de jonge Fransman Louison Bobet. Bartali was niet onder de indruk. “In de eerste plaats is die man een heiden”, zou Bartali hebben gezegd, “en in de tweede plaats zijn we op weg naar Lourdes, waar de Madonna mij verder zal helpen.” In 1948 deed het peloton voor het eerst de bedevaartplaats aan. En uiteraard won Bartali dat jaar glansrijk.

De heilige Maagd houdt zich zelf ook gaarne bezig met de wielersport. Wel drie kapellen zijn aan haar wielerpatronage toegewijd. In het land van de Tour vinden we de Notre-Dame de Cyclistes, waar in 1985 een groep kinderen van een lokaal zomerkamp met hun fietsen in een vervallen kapel schuilde voor zware aanhoudende regen. De begeleidende pastoor, abbé Joseph Massie, nam de gelegenheid te baat om dan ook maar gelijk de dagelijkse heilige Mis op te dragen. Massie, zelf een fervent fietser, vertelde later dat hij aan het einde van de Mis de ingeving kreeg om van deze vervallen en overwoekerde kapel een toevluchtsoord voor fietsers te maken. En zo geschiedde.

Gestorven renners

In het land van de Giro d’Italia vinden we het Santuario della Madonna del Ghisallo, nabij het Comomeer. Volgens de legende is deze plek – Ghisallo – vernoemd naar een middeleeuwse graaf die er door struikrovers werd aangevallen. Hij werd verrast en gered door een Mariaverschijning verder op de berg. Naar goed katholiek gebruik liet de dankbare graaf op de plek van de afgeslagen aanval een kapel bouwen ter ere van Onze-Lieve-Vrouw. In 1948 riep paus Pius XII deze Madonna del Ghisallo uit tot beschermheilige van de wielrenners.

In het kerkje brandt een eeuwige vlam, opgedragen aan alle gestorven renners. Ook de verwrongen fiets van Fabio Casartelli is present, waarop hij op 18 juli 1995 op 24-jarige leeftijd dodelijk verongelukte tijdens de afdaling van de Col de Portet d’Aspet. Op die plaats is nog altijd een gedenksteen te vinden. De volgende dag, de 19e, neutraliseerde het peloton zelf de koers. In gesloten formatie werd op de finish afgereden, Casartelli’s ploeggenoten gingen naast elkaar als eerste over de finish. Twee dagen later kwam Lance Armstrong alleen aan: hij droeg zijn overwinning aan zijn gevallen ploeggenoot op.

Wielrennen is een katholieke sport. Tevergeefs trachtte ik dit uit te leggen aan de bekende EO-journalist Tijs van den Brink. De Tour startte in 2015 in een verzengend heet Utrecht en het radioprogramma Grand Départ had mij uitgenodigd om over het katholieke wielrennen te komen vertellen. Ik vertelde over de eenzame renner die als een postmoderne monnik zijn lichaam teistert ten einde zijn geest te kunnen overwinnen. Over de mens tegenover de ontzaglijke natuur. Over wielrenners die kruisjes slaan en hun wielertrui opdragen aan de Moedermaagd. Over doping en vergeving. Over de Tour als metafoor voor de pelgrimerende mens. Over de winnaars die morgen de verliezers zijn. Over heiligen die morgen zondaars zijn. En over wielrenners die hun fiets laten zegenen door meneer pastoor.

Tijs vond het maar ingewikkeld, vooral dat laatste, het inzegenen van fietsen: “Maar je weet toch dat het zo niet werkt?” Ik antwoordde: “Natuurlijk weten katholieken dat het zo niet werkt, maar we geloven
het wel.” Tijs snapte het maar half. En samen keken we naar de renners die hun kruisjes slaan, hun handen ten hemel heffen, schietgebedjes prevelen, hun bidons met gezegend water vullen, hun lijden verbijten en hun zonden vergeven weten. Wielrennen is een katholieke sport, sterker nog, God heeft zelf een fiets, een tandem zonder versnellingen: nooit haast, en er is altijd plek om mee te gaan.

Zie ook: God heeft ook een fiets. Kleine theologie van het wielrennen (Uitgeverij Berne, ISBN 978 90 89721 32 7).

Bron: Katholiek Nieuwsblad