De term danken wij aan de godsdienstpsychologie en duidt op een veel voorkomende angst onder rooms-katholieken om te biecht te gaan. Redenen hiervoor kunnen zijn: de zwaarte van de zonde of juist het gebrek hieraan, schaamte voor het soort zonden dat gebiecht dient te worden, of regelrechte angst om door de biechtvader te worden uitgelachen.

Ook protestanten kunnen last hebben van een biechtbarrière, maar dan in een licht andere betekenis. Bij hen schuilt de angst in het zich door hun verlangen naar de biecht alleen al te hebben bekeerd tot het ware geloof van de moederkerk, hetgeen ook zo is. In meer recente tijden is het begrip echter primair gaan slaan op het aanhouden van de anderhalve meter tussen biechtvader en biechteling in het kader van de coronaprotocollen van de Nederlandse bisschoppen.

Dit lemma wordt u aangeboden door de redactie van het Lexicon van katholieke coronabegrippen.