Het woord stamt uit de veertiende eeuw, toen op diverse bedevaartsplaatsen, met name in Zuid-Frankrijk en Noord-Italië, de kerkaltaren dusdanig veel gekust en aangeraakt werden door de toestromende gelovigen, hopende op één aflaat of meerdere aflaten, dat men vreesde de heilige objecten niet langer te kunnen behouden.

Zo was het altaar van de heilige Brunovivfré in Marseille zo uitgesleten door de lippen en vingers van de pelgrims, dat men letterlijk door het altaar hen kon kijken. Helaas is het altaar ten tijde van de Franse Revolutie verloren gegaan. Om deze onaanvaardbare slijtage aan onvervangbare objecten tot staan te brengen, vaardigde paus Honoratius XXXI een decreet uit dat dergelijke handelingen moest verbieden. Het decreet kreeg al snel de bijnaam van ‘altaarkusmoratorium’.

Tegenwoordig slaat het woord op het verbod de Nederlandse priesters opgelegd het altaar bij aanvang van de eucharistieviering te kussen uit angst voor de verspreiding van het coronavirus.

Dit lemma wordt u aangeboden door de redactie van het Lexicon van katholieke coronabegrippen.