Oorspronkelijk werd deze term gebruikt binnen het missiewezen. Paters moesten dikwijls lange afstanden afleggen om in geïsoleerde geloofsgemeenschappen de sacramenten te bedienen. Het ‘dopen’ in ‘afstanddopen’ (ook gespeld als ‘afstandsdopen’) werd hierbij als pars pro toto gebruikt, toepasselijk aangezien dit sacrament de poort naar de andere zes opent. Sommige paters maakten er zelfs een vriendschappelijke competitie van, namelijk wie het verst op één dag kon lopen om een kind te dopen.

Officieuze leider lijkt Pater Godewinus (1899-1990) te zijn die in 1925 op één dag meer dan honderd kilometer door de Andes liep om daarna een heel dorp in één klap het doopsel toe te dienen. Hoewel het begrip in de jaren zestig begon te verdwijnen, beleeft het nu weer nieuwe belangstelling, zij het in een andere betekenis.

Het woord slaat nu op het gebruik van een anderhalve meter lange stok, vaak van hout en rijk met goud en zilver belegd, met aan het einde een klein waterbekken in de vorm van een lepel of schelp, waarmee de priester een kind kan dopen zonder risico op besmetting van het coronavirus. Ten tijde van het verschijnen van dit boekje werken liturgische specialisten van de Nederlandse kerkprovincie aan officiële zegeningsgebeden voor deze afstanddoopstokken.

Dit lemma wordt u aangeboden door de redactie van het Lexicon van katholieke coronabegrippen.