Door de coronacrisis zien de kerkelijke professionals – priesters, diakens, dominees, voorgangers, pastoraal werkers – hun vanzelfsprekende liturgische, pastorale en diaconale praktijk tussen de (al dan niet gewijde) vingers glippen, en daarmee een belangrijk gedeelte van de (professionele) zelfidentificatie. Als je als priester geen mis meer kan vieren, wat ben je dan nog? En als je als dominee geen huisbezoeken meer kan afleggen, wat blijft er dan over van je baan?

De eerste reactie bestond uit een continuering van het oude: het streamen van liturgische diensten. Vorm en inhoud bleven feitelijk onveranderd: ergens ‘daar’ draait een kerkdienaar een ritueel af, waarbij de gelovigen ‘elders’ vooral kunnen kijken en luisteren. Er was al nooit veel interactie, en die is nu nog minder geworden. En daarmee legt deze tijd een belangrijk facet van onze christelijke traditie bloot: we zijn nog altijd een klerikale kerk, ook als we gereformeerd of hervormd zijn.

Zolang we nog in één gebouw zaten, konden we doen alsof we dat niet doorhadden. Nu we gedwongen online zijn, komt deze liturgische (en theologische) armoede dubbel zo hard voorbij, onontkoombaar nu. We zullen op zoek moeten naar nieuwe vormen van liturgie, waarbij interactie – offline en online – een dragend element moet zijn. De priester/dominee is geen gewijde acteur die een uit zijn hoofd geleerd versje opdreunt, maar een liturgisch dramaturg, die zichzelf en alle andere actoren/acteurs in het liturgisch spel zijn of haar deel geeft en ieders inspanning laat samensmelten tot een hemelse lofzang.

De tijd is rijp. De tijd is daar. De revolutie begint vandaag. In Godsnaam dan maar.

Bron: Eric v.d. Berg (red.), ‘Ervaringen met online kerkdiensten’ – download.