‘Papa, mag ik vanavond naar vrienden toe?’ vraagt mijn zeventienjarige zoon. ‘Goed,’ zeg ik, ‘maar wel om 22.00 uur thuis.’ Hij denkt even na en vraagt: ‘Mag ik dan misschien om 23.00 uur thuiskomen?’ – ‘Nee. Ja. Wacht. Oké, half elf dan,’ zeg ik. Hij is zichtbaar blij, maar nog niet helemaal tevreden: ‘En reken je dan 22.30 uur bij de bushalte of echt thuis?’ – ‘THUIS!’ zeg ik met – hopelijk – vaderlijke autoriteit. ‘Nou, ik vroeg ’t alleen maar. Je hoeft niet gelijk boos te worden.’ – ‘IK BEN NIET BOOS!’ – ‘Je klinkt wel boos, pa…’ – ‘JA, NU BEN IK WEL BOOS!’ Zo gaat dat.

Handjeklappen, daar zijn wij Nederlanders goed in: sjacheren, pingelen, soebatten, ‘de ruimte zoeken’, het onderste uit de kan halen, zeker bij het aankopen van spullen. Ook rooms-katholieken hebben er een handje van. God kan dan in Zijn almacht en voorzienigheid besloten hebben jouw ideale partner voorlopig nog uit het zicht te houden, een schietgebedje aan Maria is zo gedaan en heeft altijd resultaat, zij het niet altijd per se direct het gewenste. Gelukkig weet zij ook beter wat je wilt dan jijzelf.

Ik vind het als katholiek theoloog heel grappig dat we in onze traditie een paar amusante voorbeelden hebben van wat ik ‘goddelijk onderhandelen’ noem: God is groot en goed, maar een echte gelovige is niet bang om aan Hem net een beetje meer te vragen, waarbij eerbied en onbeschaamdheid een prettige paringsdans met elkaar uitvoeren op de pagina’s van de Schriften. Zij het niet altijd met het gewenste resultaat. Het blijft immers bidden.

Abram en Sodom

In Genesis 13 gaan Abram en zijn neef Lot uit elkaar. Niet omdat ze ruzie hebben, maar beide mannen hebben zo veel bezittingen en vooral schapen dat hun herders onderling ruzie maken over vruchtbare weiden en waterplaatsen. Abram stelt voor het land te verdelen. Lot kiest de Jordaanvallei, terwijl Abram voor Kanaän kiest (13:10-12). Lots keuze lijkt bij voorbaat al problematisch, want over de vallei wordt gezegd dat ‘de mensen daar slecht waren, ze zondigden zwaar tegen de Heer’ (12:13).

Intussen krijgen de bejaarde Abram en Sarah bezoek van drie mannen, die hen mededelen dat ze samen een kind zullen krijgen (Genesis 18:1-15). Als de mannen weggaan, laten ze hun blik op Sodom rusten (18,16). Dat blijkt een slecht voorteken. God maakt Abram direct duidelijk dat het Hem menens is: ‘Er zijn ernstige beschuldigingen geuit tegen Sodom en Gomorra, hun zonden zijn ongehoord groot’ (18:20). God stuurt vervolgens zijn twee boodschappers naar Sodom om polshoogte te nemen (18:22). Abram blijft bij God plakken om nog een laatste gesprekje aan te knopen en vraagt:

Wilt u dan behalve de schuldigen ook de onschuldigen het leven benemen? Misschien dat er in die stad vijftig onschuldigen zijn. Zou u die dan ook uit het leven wegrukken en niet de hele stad vergeving schenken omwille van die vijftig onschuldige inwoners? (18:23-24)

Abram voelt aan zijn theewater dat God in Sodom geen kudde vrome lieden zal aantreffen en vreest voor het lot van de stad en vooral voor het lot van Lot en diens gezin. Hij probeert God om te praten, ook al zijn er op – weet ik veel – 20.000 inwoners slechts 50 onschuldigen te vinden. Om zijn pleidooi kracht bij te zetten, speelt Abram in op Gods eergevoel:

Zoiets kunt u toch niet doen, hen samen met de schuldigen laten omkomen! Dan zouden schuldigen en onschuldigen over één kam worden geschoren. Dat kunt u toch niet doen! Hij die rechter is over de hele aarde moet toch rechtvaardig handelen? (18:25)

God is de beroerdste niet en gromt toegevend dat Hij de stad omwille van vijftig rechtvaardigen niet zal vernietigen (18:26). Je zou denken: kat in ’t bakkie, niets meer aan doen, blij zijn en wegwezen. Maar Abram is nog niet tevreden, waarschijnlijk omdat hij het getal van vijftig iets te optimistisch vindt ingeschat. We hebben het wel over Sodom hier, de stad met de slechtste reputatie aller tijden, waarbij vergeleken Amsterdam er toch beter aan toe is, alhoewel … Enfin, Abram stelt zich strategisch onderdanig op.

Nu ik eenmaal zo vrij ben geweest de Heer aan te spreken, hoewel ik niets dan stof ben’ … Hij vraagt of een aantal van vijfenveertig ook Gods welbehagen zou kunnen oproepen (18:27-28). En God stemt in. Abram, gesterkt door zijn initiële winst, waagt nog een kansje: stel dat ’t er veertig zijn? Ook deze tweede keer stemt God in.

Iedereen zou hier ophouden, zelfs mijn zeventienjarige puber. Maar Abram gaat door met pingelen. Dertig dan? God stemt in. Abram, nu hoorbaar zenuwachtig door zijn eigen moed – ‘Ik ben zo vrij de Heer opnieuw aan te spreken’ – vraagt om twintig en krijgt die ook (18:30-31). Abram weet dat hij op de punt van een naald balanceert, knijpt zijn ogen dicht, doet of zijn neus bloedt, zet alles op alles en weet uit te brengen: ‘Ik hoop dat u niet kwaad wordt, Heer, wanneer ik het nog één keer waag iets te zeggen: stel dat het er maar tien zijn.’ (18:32) Tot ieders verbazing, ongetwijfeld ook die van Abram, laat God zich – kennelijk nogal gemakkelijk – overtuigen. ‘Dan zal ik haar niet verwoesten omwille van die tien.’ En dan eindigt Abrams aan overmoed grenzende doortastendheid. Sodom zal tien rechtvaardigen moeten produceren, anders volgt totale vernietiging.

Het lot van Lot

Als we nu eens kijken of Abrams gesjacher geholpen heeft, is het antwoord dubbel. Ja, God was bereid uiteindelijk slechts met tien rechtvaardigen genoegen te nemen. Voorwaar een knap stukje onderhandelen. Maar aan de andere kant heeft Sodom het gewenste minimum aan goedheid niet kunnen waarmaken.

In het volgende hoofdstuk (Genesis 19) treffen we de twee boodschappers van God weer aan. Ze gaan naar Lot in Sodom, waar ze gastvrijheid verkrijgen. Als de inwoners echter lucht krijgen van de twee vreemdelingen, beuken ze op Lots deur om hen te verkrachten (19:5). Vreemdelingen konden toen ook al niet altijd op vanzelfsprekende gastvrijheid vertrouwen. Niets nieuws onder de zon, hoewel het verkrachten van vreemdelingen in onze Westerse samenleving, zelfs in nationalistische hoek, niet meer gebezigd wordt.

Hoewel Lot het zooitje ongeregeld nog wil pacificeren door zijn twee maagdelijke dochters aan te bieden (19:8) – niet iets dat ik met mijn tienerdochter zo snel zou doen – blijken de twee boodschappers heel goed voor zichzelf te kunnen zorgen. Ze verblinden de aanvallers. Niettemin lijkt het erop dat ze hierdoor concluderen dat ook de tien rechtvaardigen niet te vinden zijn. Ze raden Lot aan om voor Gods verwoesting uit de stad te vluchten (19:15).

Moraal van het verhaal

Is dit een spannend verhaal waar we verder niet zoveel mee kunnen? De afloop lijkt immers paradoxaal: zeuren helpt, maar toch uiteindelijk niet. Je kunt kennelijk wel bij God vragen om uitstel van executie of mildheid in het hemelse vonnis. God laat zich paaien, zou je kunnen zeggen. Maar dat betekent niet dat alles en iedereen dan op zijn pootjes terecht komt. Goddelijke hulp – Gods genadigheid voor Abram – betekent niet het uitschakelen van de menselijke factor. God geeft je wel vleugels, maar je moet die wel zelf gebruiken, wil je van de grond komen. Zo ook hier: God wil best een beetje inschikken, maar dan moet het wel van twee kanten komen. De mens moet ook wat doen, gesymboliseerd door de rechtvaardigen die er in Sodom moeten zijn.

Maar dit verhaal geeft ons ook de boodschap mee dat we niet met heel veel rechtvaardigen hoeven over te blijven om genade – voor iedereen, ook de onrechtvaardigen – te verkrijgen. De balans hoeft niet perfect te zijn: het is niet 50-50. Die paar rechtvaardigen weten een oneindig grotere groep voor de ondergang te behouden, althans in Gods en Abrams plan. Dat die er in Sodom niet waren, doet niet ter zake. Zelfs één rechtvaardige kan een onrechtvaardige wereld redden. Daar gaat immers het hele Nieuwe Testament over. En we weten allemaal hoe dat afliep.

Bron: DeBijbel.nl