Gelovige jongeren voelen zich niet meer helemaal thuis in de kerk, las ik afgelopen week in het Nederlands Dagblad. De jeugd denkt regelmatig ‘ok boomer’. Ze willen niet afgescheept worden door dichtgespijkerde dogma’s opgelegd door boomers. Niet bepaald ‘nieuws’, als je het mij vraagt. Kerken doen al jaren hun best om jongeren vast te houden. Tevergeefs, lijkt het, maar is dat erg?

De hoeveelheid organisaties die zich – alleen al op het protestantse erf – bezig houden met het lokken van jongeren is indrukwekkend. De aanleiding van het Nederlands Dagblad om over dit onderwerp te schrijven, was het document ‘Jeugdtrends 2020’. Die wordt door ‘Jeugdwerk Steunpunt NGK, voorheen NGK Jeugdwerk’ uitgegeven, in samenwerking – ja, het houdt maar niet op – met ‘onder andere’ – wauw! – ‘World Servants’ en ‘HGJB’. 

Na enig speurwerk op internet kwam ik er achter dat NGK staat voor Nederlands Gereformeerde Kerken, die in 1967 ontstaan zijn na een scheuring binnen de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt), die in 1944 – tijdens de zogenaamde ‘Vrijmaking’ – ontstond uit een afsplitsing van de Gereformeerde Kerken in Nederland.

De HGJB blijkt te staan voor Hervormd-Gereformeerde Jeugdbond, die ondanks zijn anders klinkende naam ‘gewoon’ de breedte van de Protestantse Kerk in Nederland vertegenwoordigt. Het zal aan mijn eigen rooms-katholieke achtergrond liggen – bij ons heb je maar één soort – maar ik ben al lang en breed mijn aandacht kwijt.

Ik ben mijn aandacht al kwijt, terwijl ik gewend ben te werken in een omgeving waar het volstrekt gebruikelijk is om tijdens de middagmaaltijd te discussiëren over het voluntaristische kommagebruik in de Latijnse werken van Augustinus van Hippo. En als ik mijn aandacht al kwijt ben, hoe moet het dan met de gemiddelde kerkse millennial zijn, die als generatie ook niet bekend staan voor het vrijwillige verslinden van Duitse existentialistische filosofen.

Ik begrijp het wel: 40+-kerkgangers zijn gek op hun kerk, zien die elke zondag leger worden, zien jongeren en massa afhaken en maken zich zorgen over de kerk van morgen als zij al lang en breed begraven zijn en samen met de engelen en aartsvaderen het Lam in het hemelse Jeruzalem aanbidden.

Vraag

Ik merk het ook als ik lezingen geef in parochies en gemeentes, op kerkelijke instituten en bij religieuze verenigingen. Het maakt niet uit waar ik voor gevraagd word – dat Maria Magdalena ongehuwd samenwoonde met Jezus (niet echt), dat het Vaticaan al zes eeuwen de echte Graal in bezit heeft, die alleen door de paus mag worden gebruikt tijdens het vieren van de mis in zijn privékapel (jammer niet waar), dat de Jezuïeten achter de schermen de organisatoren zijn van de Bilderberg-conferenties (wel waar!) – ik krijg altijd de vraag: meneer Bosman, kunt u ons zeggen hoe wij onze kerk weer vol krijgen?

Het eerlijke antwoord is dat ik dat ook niet weet. Als ik dat wel had geweten, was ik nu een succesvolle Amerikaanse televisiedominee met twee privévliegtuigen, een jong mokkel en vijf gouden tanden. 

Ik begrijp het allemaal wel, maar zijn ‘we’ – ik ben immers ook een kerkganger – niet een beetje teveel aan het navelstaren? Zijn we niet een beetje teveel bezig met het voortbestaan van de kerk? Is de kerk wel haar eigen doel? Traditioneel zijn we geneigd op alle drie die vragen ‘ja’ te antwoorden. Als de christelijke kerken sluiten, verdwijnt het geloof in Nederland. En als het geloof in Nederland verdwijnt, overlijdt God zonder dat er iemand op zijn begrafenis is om de grafrede uit te spreken. (PS. note to self: is Nietzsche nog beschikbaar?) 

Ik denk dat ’t zo’n vaart niet zal lopen. Er zullen altijd mensen zijn die zich christelijk noemen en zich samen verenigen om in Jezus’ naam te bidden en te vieren. Misschien over 50 jaar nog maar 10.000 in Nederland, maar die blijven wel. En de christelijke verhalen, normen en waarden zijn zo diep verankerd onze psyche, politiek, cultuur en samenleving dat we met droge ogen de komende 250 jaar nog wel van een ‘christelijke beschaving’ kunnen blijven spreken. 

En God? Ach, God die vindt wel Zijn eigen wegen. Heeft ie altijd gedaan. Wat een arrogantie om te denken dat Zijn succesverhaal afhangt van ons dapper ploeteren en zwoegen. Hij vindt er wel wat op. Dat deed ie ook al twee millennia geleden. Bovendien: wij zijn er ook nog. Een vrijmetselaarsvriend van mij – vrijmetselaren zijn gelovigen die vergeten zijn te geloven – zegt het altijd fraai: je kan een broeder-zonder-schootsvel zijn. Dat betekent dat je een vrijmetselaar in doen en laten kan zijn, zonder ingewijd te zijn in een loge. 

Zo is het ook met christenen, ik zie ze overal, de christenen-zonder-doopsel. Ze kammen de haren van oude vrouwen, ze redden het leven van jonge moeders, ze maken een praatje bij de supermarktkassa, ze komen voor je op bij een ruzie, ze ruimen de rotzooi achter anderen op. En van hen zijn er zovele dat niemand hun getal tellen kan. En zolang zij adem halen, leeft God. En met Hem leeft mijn geloof.

Bron: NPOradio1.nl