Ze kwamen uit het oosten, maar niemand vroeg daarnaar. Ze droegen vreemde kleren en spraken een vreemde taal, maar er was toch niemand die met hen wilde praten. Ze hadden geen papieren en zwierven over straat. Ze waren verliefd en zij was zwanger. Hij noemde zich Jos, zij Mariëlle. Het was 24 december toen de dag kwam dat Mariëlle haar kind moest baren. Haar overbezorgde vriend regelde van zijn laatste bij elkaar gebedelde geld een taxi naar het ziekenhuis om daar te bevallen. De zuster wilde haar wel binnen laten, maar de zorgaccountant die naast haar een kruiswoordpuzzel zat te maken, schudde van nee. Buiten was het guur, de wind waaide uit het noorden en er zat sneeuw in de lucht.

Jos en Mariëlle zwierven over straat tot zij niet meer lopen kon. Uitgeput zakte zij tegen een leeg winkelpand aan, dat – hoe ironisch – ooit handelde in babykleding. Jos gaf haar zijn jas en klopte op de ramen in de straat. De straat zelf was verlicht met schitterende versieringen en ook vanuit de huizen kwam een duizendvoudige warme gloed. Maar hoe hij ook klopte, niemand scheen hem te horen. En hoe hij ook riep, niemand deed hem open. Dus staarde hij door de ruiten naar binnen waar een rijkgevulde tafel naar zijn lege maag liep te roepen. Een paar jongeren liepen over straat. De voorste twee riepen iets dat hij niet verstond, maar aan hun gelach te horen was het niet veel goeds. Toen ze waren doorgelopen, keek een meisje om twee rode vlechten om en even haakte hun blikken in elkaar.

Vuur

Teruggekomen bij Mariëlle zag hij dat ze Jos’ jas had gedeeld met een meisje op blote voeten. Ze bezat niet meer dan de kleren die ze droeg en een aansteker, waarmee ze een klein vuurtje konden maken om zich aan te warmen. Niet dat ze er lang plezier van hadden, want binnen enkele minuten kwam de ijlings gewaarschuwde politie aangelopen om het vuur te doven. Toen ze hoorden dat Mariëlle en Jos geen papieren hadden, zuchtten ze diep, denkend aan de warme chocolademelk op het bureau en lieten ze hen lopen. Het meisje met de aansteker was echter verdwenen, zelfs Jos kon haar niet meer vinden.

Inmiddels was het begonnen te sneeuwen en omdat verder iedereen binnen was, maakten alleen Jos en Mariëlle voetsporen in de sneeuw. Tot zij niet verder kon en weer in een zakte. De vader zag dat ze tegenover een bordeel waren beland. Het was druk in het huis van plezier, er klonk muziek, gelach en het rode licht had een mysterieuze aantrekkingskracht. Jos klopte aan en een luchtig geklede, oudere dame deed open. Haar vrolijke vraag stierf op haar lippen, toen ze achter Jos een zwangere vrouw op de grond zag liggen. ‘Kom binnen, lieverd!’ zei ze snel en samen met enkele andere vrouwen van plezier hielpen ze het stelletje naar binnen.

Binnen nam de dame snel een aantal beslissingen. De clientèle werd verzocht afscheid te nemen. Sommige deden dat beschaamd, anderen boden aan te helpen met boodschappen en kleding. Zij bleven. De dames veranderde hun meest luxueuze chambre tot een kraamkamer. Gelukkig bevond zich onder de gasten een huisarts en het kind kwam snel te veilig ter wereld. Terwijl de dames en de gasten de nieuwe moeder en vader feliciteerden, werd aan het bordeel aangeklopt. Een vijftal zwervers stond voor de deur, gewapend met enkele instrumenten. Zachtjes werden ze binnen gelaten waar zij het pasgeboren kind in slaap zongen. Toen werd er weer geklopt, het meisje met de aansteker meldde zich en waste Mariëlle schoon na haar bevalling. Weer geklopt, het meisje met de twee rode vlechtjes arriveerde met twee tassen vol babyspullen. De zuster uit het ziekenhuis volgde met medicijnen en verbanden.

Feest

Jos was buiten zinnen van blijdschap over hun nieuwe kindje en geheel volgens de traditie van zijn land ging hij de straat, waar het bordeel gevestigd was, af om mensen uit te nodigen voor het geboortefeest. Maar hij had weinig succes. De bankmanager die op de hoek van de straat woonde, was op vakantie naar een ver en warm land, hetzelfde land waar Jos en Mariëlle ooit vandaan vluchtte. De hoogleraar had helaas geen tijd, aangezien hij aan zijn magnum opus werkte over de deugd van de gastvrijheid in de 21e eeuw. De advocaat was net gescheiden en vierde dat heugelijk feit door bewusteloos op de grond zijn roes uit te slapen. En de politicus had überhaupt geen zin omdat het politiek gezien niet handig was om naar een bordeel te gaan.

Jos was verdrietig. En terwijl hij terug wandelde naar zijn vrouw en hun kindje, begon hij zachtjes in zichzelf te zingen. Over een stad van goud, over een tocht door de zee, over het dansen in de tempel. En als bij toverslag kwamen uit de holen en spelonken van de stad de onaanraakbaren naar buiten: de zwevers zonder gezicht, de krankzinnigen zonder naam, de asielzoekers zonder papieren, de alleenstaande moeders, de kinderloze vaders, de eenzamen zonder uitzicht, en zelfs de jongen die stond op de rand van de brug starend in de ijskoude duisternis van de rivier.

De verschoppelingen, 144.000 in getal, kwamen met hun geschenken: onooglijk speelgoed, armoedig eten, stinkende wonden, gedoofde geesten, ondragelijk lijden. En ze legden hun geschenken aan de voeten van het kindje neer dat onaangedaan door alle aandacht bij zijn moeder lag te slapen. Het was vol in het bordeel, maar vrede had zich van het huis meester gemaakt. Toen ook Mariëlle in slaap was gevallen, wende Jos zich onder tranen tot de ontelbare zwijgend glimlachende mensen. Hij trok zijn jas en trui uit. Hij ging bij hen allen langs. Bij de een droogde hij de kapot gehuilde ogen, bij een ander de afgerukte vinger, weer een ander omarmde hij lang en krachtig, de vierde kreeg een kus, de volgende fluisterde iets in zijn oor, en voor weer een ander knielde hij neer.

Licht

Die avond ging een groot licht op boven de naamloze stad waar Jos en Mariëlle hun kindje hadden gekregen. Het licht steeg op uit het bordeel in het centrum van de stad en straalde over de wereld. Iedereen zag het licht aan de horizon, maar slechts weinigen begrepen de betekenis. ‘Mooi he, dat noorderlicht,’ baste de bankmanager tegen zijn maîtresse terwijl hij over het tropische strand staarde. ‘Ik begin met dingen in te beelden,’ dacht de hoogleraar die in slap gevallen was boven zijn toetsenbord. ‘Het is een ver onweer, dat wel overtrekt,’ zo dacht de politicus en ging rustig naar bed.

Maar sommige begrepen het licht wel en handelden ernaar. ‘Dat flikkerende licht in de gang moet nodig gerepareerd worden,’ mompelde de zorgaccountant alleen vanachter zijn puzzel. Maar nieuwsgierig geworden, liep hij over de egaal verlichte gang naar buiten. Het was doodstil. Geen zuchtje wind kreunde om het hoge gebouw en zelfs zijn voetstappen maakte geen enkel geluid in de vers gevallen sneeuw. ‘Hallo?’ riep hij. ‘Is daar iemand?’ Toen stond in eens een taxichauffeur achter hem. ‘Stap maar in,’ zei hij. En dat deed de zorgaccountant. En samen reden ze naar het bordeel, dat nog niet zo vol was dat zij er niet meer bij paste.

De taxichauffeur kende de weg en verdween in de menigte, maar de accountant liep weifelend naar voren en knielde voor het slapende kind en zijn moeder. Mariëlle lachte naar hem. ‘Vergeef me,’ fluisterde de accountant, ‘ik wist niet wat ik deed’. De moeder antwoordde door het slapende kind in zijn armen te leggen. En die avond zat de accountant stokstijf op een stoel met het kindje in zijn armen. En niemand veroordeelde hem, noch die avond, noch de andere avonden tot het einde van zijn leven.

Het kind en zijn ouders bleven niet lang in het bordeel, maar gingen na enkele dagen weer hun eigen weg. De verhaal gaat dat zij hun eigen land uiteindelijk weer hebben gevonden en dat het kind een onuitwisbare indruk op de wereldgeschiedenis zou maken. Maar dat wisten de gasten niet. Een voor een gingen ze hun weg, terug de duisternis van de nacht in, tot de dame als laatste de deur achter zich afsloot. Het werd ochtend, het licht kwam op in het oosten. Ze ademde diep de bijtende lucht in haar longen. ‘Wat een nacht,’ mompelde de taxichauffeur die onaangedaan tegen zijn voortuig aanleunde. ‘Wil je een lift, schatje?’ zei hij terwijl hij de deur voor haar open hield. ‘Ja,’ zei ze glimlachend en ze drukte een kus op zijn wang, terwijl ergens ver weg een baby begon te lachen.

Bron: Mariënburgmagazine