‘Da’s echt zund,’ zegt de Brabander. En meestal kijkt ie er dan bij als een boer met kiespijn. ‘Da’s zund’, dat betekent een vol bierflesje dat je tegen een tafel kapot tikt, een Bossche bol met zure slagroom die je net te lang uit de koelkast hebt bewaard, een tegoedbon die je één dag te laat weer in je colbert tegenkomt of het kapsel van de bruid dat door een mals lentebuitje in een oerwoud is veranderd. Superjammer allemaal, maar geen nood aan de man. Pech gehad, maar er is niemand dood.

Voor BrabantKennis schreef ik een essay over de historie en godsdienstige achtergrond van de zeven zonden, met speciale focus op Noord-Brabant.

‘Ons moeder is dik geworre van ’t zund’, zeiden ze bij ons aan tafel vaak genoeg. Niet dat mijn moeder zo vaak aan onze eettafel zat, maar omdat mijn vrouw altijd het laatste restje van de maaltijd opschept. ‘Zonde om weg te gooien’, zegt ze dan.    

Hollanders kennen ook zo’n uitdrukking, die helaas minder fijngevoelig is dan die uit Brabant. Als ik tegen mijn Hollandse vrienden per ongeluk het woord ‘zonde’ uit mijn mond laat vallen, hoor ik ze zeggen nog voor ze kunnen spreken: ‘Zonde? Als maagd de kist in, dat is pas zonde.’ Subtiel zoals altijd, maar niet zonder eerlijk randje. Zoals Alfred Tennyson al dichtte: ‘It is better to have loved and lost than never to have loved at all. Het is beter te hebben liefgehad en te hebben verloren, dan nooit te hebben liefgehad.’

Zonden als spijt  

Het achteloos weggooien van goed eten, het lompe verdriet van een te vroeg afgebroken leven, een kat-in-de-zak die we afdoen als ‘zondegeld’: we noemen het allemaal even makkelijk zonde. Zonde heeft iets van spijt dat het zo gelopen is en van verdriet dat het ook anders had kunnen gaan, of zelfs had moeten gaan. Het is jammer. Het eten blijft over, het bier blijft verspild, de tegoedbon blijft verlopen. Het is letterlijk ‘jammeren’, in stilte of tegen een goede vriend, en weer door. Want zo onbarmhartig is het leven: veel tijd om erbij stil te staan heb je niet.   

Zonde heeft iets van spijt. En spijt hebben we genoeg, in deze dagen, in onze contreien. We hebben spijt dat we onze Brabantse boeren niet beter hebben geholpen met verduurzamen.    

En met de spijt komt de gêne. We generen ons bijkans dood dat Brabant internationaal meer bekend staat als betrouwbare leverancier van geestverruimende middelen dan om haar worstenbroodjes en kenniswerkers. We generen ons voor onze Turkse bisschop die op zijn jaarlijks bezoek aan de provincie zich als een eenmans-mobiele eenheid tussen roetveegpieten en origineelpieten moet manoeuvreren. Dat PSV de voetbalamateurs uit Amsterdam en Alkmaar voor moet laten gaan. Dat we onze grazige weilanden laten volbouwen met onmetelijk lelijke blokken, gevuld met de afgoden van onze moderniteit, gemakkelijk en ongezien thuisbezorgd, zonder dat iemand nog weet wie ze ooit besteld heeft, en waarom.    

We grossieren in maatschappelijk onbehagen, in Brabant, in Nederland, in de Europese Unie. Het is ’t gevoel dat er iets dreigends in de lucht hangt, maar niemand weet precies wat het is of wanneer het komen gaat. Het onbehagen groeit, omdat onze voortdurende roep om veiligheid op onze even dringende eis van vrijheid botst.    

Het is de leugen dat alles tegelijk kan. Dat we én onze boeren vlees laten produceren én onbetaalbare woonwijken bouwen. Dat we én de hoeveelheid stikstof verminderen én 130 kilometer per uur over snelwegen rijden. Dat we én internationaal handel drijven tot meer eer en opbrengst voor ons allemaal én tegelijkertijd onze grens potdicht houden voor hen die we ongeschikt achten in deze weelde mee te delen.   

Het maatschappelijk onbehagen, een op de lippen van politici, beleidsmakers, opinieleiders en beroepsanalisten bestorven term, komt voort uit onze individuele en collectieve eis tot absolute veiligheid en al even absolute vrijheid. We eisen de vrijheid om ons leven in te richten zonder last te hebben van een ander, of ie nu aan de andere kant van de straat of van de wereld woont. We willen vrij zijn om overal heen te vliegen voor werk en vakantie, vrij om te eten en te drinken waar we trek in hebben, vrij om te werken waar en voor wie we willen. 

Maar het leven heeft de vervelende neiging zich weinig van onze zelfgeschapen utopieën aan te trekken. We leven in een gebroken wereld vol ellende, rampen en ongelukken. Soms uit nalatigheid, soms uit kwade wil, maar veel vaker uit stom toeval of uit de ongewenste gevolgen van keuzes die onze ouders voor ons maakten toen we nog te klein waren onze eigen naam te schrijven. De illusie van de maakbare samenleving wordt ruw verscheurd door de kwetsbaarheid die ons bestaan kenmerkt en die ook paradoxaal genoeg maakt wie wij zijn. Voor wie geen dood bestaat, is elke dag zinloos. Alleen voor degene wiens dagen zijn geteld, is elke dag kostbaar.   

Niettemin proberen we ons ongeluk en onze ellende in goede banen te leiden. We hebben wetten, protocollen, verdragen, beschikkingen en handleidingen. We delen notities, memo’s, artikelen en analyses. En mocht er toch nog iets fout gaan, dan halen we ons recht bij de rechter, roepen we om het aftreden van de minister of eisen we een onafhankelijk onderzoek. En met elke wet, elke rechtelijke uitspraak, elk protocol, elke camera in de stad en elke webservice die de AIVD mag inzien, krimpt onze vrijheid.    

Tegelijkertijd zijn we gelukkiger dan ooit, is de welvaart hoger dan ooit, zijn er meer banen dan ooit, minder werkelozen dan ooit en vliegen we meer dan ooit naar warme vakantieoorden. Het is de paradox van de gelukkige, die vergeten is dat hij ooit ongelukkig was en daarom zijn huidige situatie niet naar behoren kan inschatten. De grote problemen zijn opgelost, waartegen onze grootouders nog streden. We hebben vrede, we leven in goede gezondheid, we hebben een baan, vrienden, gezin, geliefden, kinderen. En toch blijft de existentiële twijfel knagen. Zoals Doe Maar al zong: Is dit alles wat er is? Bovendien hebben terrorisme en meerdere financiële crises ons doen inzien hoe kwetsbaar onze collectieve welvaart en ons persoonlijk geluk zijn.   

We vinden het allemaal maar wat zonde. Zonde van de tijd, van de moeite, van het geld, van het idee dat het allemaal anders had gekund. We hebben spijt van ons verleden, zitten in het heden met de brokken en willen die wanhopig lijmen voor een onzekere toekomst. We hebben spijt dat we niet onbekommerd gelukkig kunnen zijn. Zonde, inderdaad, dood- en doodzonde.   

Zonden als relatiebrekers

Zonde heeft echter met meer te maken dan met spijt. Niet van alle zund word je alleen dik. Zonden gaan namelijk niet alleen over het verleden waar je spijt van hebt, maar dat tegelijk comfortabel en stekend onveranderlijk moet blijven. Zonden gaan ook over het heden en – daardoor – ook over de toekomst. Zonden beschadigen relaties, tussen mensen en tussen groepen in de samenleving. Soms is de beschadiging tijdelijk, soms permanent. Wie weet te verbinden wat verbroken is, heeft de toekomst in handen.   

Het is niet voor niets dat in de openingshoofdstukken van het Bijbelboek Genesis al vrij snel sprake is van twee verhalen waarin relaties worden verbroken. Kennelijk zat ’t er al vroeg in. Na de schoonheid van de schepping (hoofdstuk 1 en 2) scheurt eerst de onzichtbare band tussen God en mens (hoofdstuk 3) en daarna die tussen mensen (hoofdstuk 4). Adam en Eva aten van de verboden vruchten en overtraden daarmee het ene verbod dat God hen gegeven had. Als straf, maar nog meer als consequentie, moest de mens het paradijs verlaten.    

Het is een metafoor voor de mens die vrij wil zijn en daardoor ongehoorzaam wordt, waarmee diezelfde mens zijn vrijheid vindt maar tevens de sterfelijkheid die daar noodzakelijkerwijs aan vastzit. Zoals John Milton in zijn beroemde gedicht Paradise lost (1667) al constateert: God verdwijnt niet uit het menselijk bestaan, maar de afstand tussen schepper en schepsel is principieel veranderd. Er is afstand waar eerder nabijheid was en elk contact lijkt door een dikke mist te moeten worden gelegd. De relatie is verbroken, of in ieder geval flink beschadigd. Vertrouwen gaat te paard, maar komt te voet.  

Ook de beschadiging van intermenselijke relaties behoort tot de kern van de menselijke ervaring, kunnen we helaas wel stellen. Adam en Eva’s kinderen vermoorden elkaar. Volgens het verhaal accepteert God wel het offer van Abel de schaapsherder, maar versmaadt hij dat van Kaïn de boer. Kaïn knipt de lijn tussen hem en zijn broer los door zijn broer – ruw en onomkeerbaar – los te knippen uit het leven. Net als Adam en Eva eerder, liegt hij tegen God als deze hem om opheldering vraagt. En net als bij Adam en Eva is de straf – of beter – de consequentie van deze misdaad uitstoting. Nu niet uit het paradijs, maar uit de maatschappij. Kaïn wordt veroordeeld rusteloos over de aarde te zwerven, zonder een vaste plek te vinden om te rusten.    

Zondigen betekent relaties verbreken. We beschadigen constant onze relaties. Als ik die vergeten 50 euro uit de pinautomaat niet aan de gehaaste vader-van-drie-kinderen aanreik, maar in eigen zak steek, verbreek ik de band tussen hem en mij. Als ik met drank op achter het stuur kruip, overtuigd dat de alcohol mijn zintuigen juist verscherpt, en ik twee zeventienjarige meiden van hun fiets afrijd, breek ik de band tussen hen en mij, en in dit geval nogal definitief. Als ik mijn vrouw bedrieg met een andere vrouw, verbreek ik de band tussen haar en mij.   

Maar niet alleen mijn band is gebroken met hem of met hen of met haar. Mijn optreden verbreekt ook banden tussen de anderen onderling. De ruzie die de vader en zijn vrouw die avond krijgen om zijn vermeende verstrooidheid is de druppel die de relationele emmer doet overlopen, en zij vertrekt uit zijn leven. De vriendinnen van de twee meiden die ik dood heb gereden worden ruw losgesneden uit het levensweb waarmee zij met duizenden draden aan familie, vrienden, leraren en kennissen zijn verknoopt. De vrouw met wie ik mijn echtgenoot bedrieg, is zelf ook getrouwd. Thuis wacht haar echtgenoot, die haar sluimerende onvrede nooit heeft opgemerkt.  

Die draden van ons levensweb verbinden ons met allen om ons heen. Het maakt van ons ‘ik’ een ‘wij’. Een spiegel waarin we onszelf leren kennen, en onze grenzen. Zonden houden echter niet alleen huis op het niveau van de relatie tussen twee of drie mensen. Zonden vreten zich ook een weg in de instituties van onze moderne samenleving. Het is systemisch kwaad.    

We hebben aan elkaar gekoppelde digitale volgprogramma’s geconstrueerd die berekenen hoeveel belasting we moeten betalen en hoeveel toeslag we mogen ontvangen. Maar zodra een moeder haar toeslag wordt geweigerd, weet niemand het systeem te overtuigen van het tegendeel. We onderhandelen met Assad en Erdogan over het vasthouden van onze geradicaliseerde jihadstrijders. We rommelen met tabakstesten en installeren sjoemelsoftware in onze auto’s. Alleen voor wie rijk is, is vrijheid niet te duur, zong Klein Orkest al.   

Zonden als spiegels 

De christelijke traditie staat niet altijd bekend om zijn vrolijkheid en lichtvoetigheid, hoewel elke Brabantse carnavalsganger je het tegenovergestelde kan vertellen. Tijdens het feest van de liefdevolle omkering loopt God zelf verkleed als ezel, hand in hand met Gerard Reve, door de straten van Oeteldonk. Toch associëren veel mensen de christelijke traditie met zondigheid, ellende en verdriet. En dat is ook niet onwaar en misschien ook niet slecht. Christenen hebben altijd oog gehad voor de feilbaarheid van het menselijk bestaan. En dat is in een tijd van maakbaarheid en controleerbaarheid soms een echte verademing.    

Omdat christenen de neiging hadden (en hebben) overal rijtjes van te maken – orde is immers een godsgeschenk – kennen we in onze westerse traditie het fenomeen van de ‘zeven hoofdzonden’, in het Engels ook wel de capital sins of – en niet geheel correct – de deadly sins. Wat ooit begon als een psychologisch instrument om jonge monniken te helpen hun geestelijk leven op orde te brengen en te houden, evolueerde in twee millennia tot een dankbare inspiratiebron voor schilders, schrijvers, filmmakers en game-ontwerpers.    

Onze eigen Jheronimus Bosch (c. 1450-1516) schilderde de zeven in een grote cirkel met zeven kleine taferelen: boeren vechtend op een weide (woede), een burenruzie (afgunst), een corrupte rechter (hebzucht), een smulpartij in een herberg (gulzigheid), een man die door zijn religieuze plichten heen slaapt (luiheid), een decadent feestje (lust) en een vrouw die zichzelf bewondert in een spiegel door een duiveltje omhoog gehouden (hoogmoed). Dante Alighieri (1265-1321) gebruikte de zeven als inspiratie voor de straffen in zijn Inferno. In deze contrapasso spiegelen de straffen de aard van de zonde. Zo giert er een eeuwige storm door de tweede kring van de hel die de zielen van de wellustigen rondblaast, en branden liegende politici en ambtenaren in een bad van kokend pek in de achtste kring.    

Bij Bosch waren de zeven al getransformeerd van een psychologisch instrumentarium in een moralistische voorstelling over goed en kwaad. Dante introduceert het idee dat straf en zonde aan elkaar gekoppeld zijn. In de volgende fase worden de zeven zonden gepersonificeerd, vormgegeven naar de zonde die ze representeren. Wie naar het schilderij van Bosch kijkt met zijn vechtende boeren, wie Dante leest met zijn kokende bedriegers, beseft langzaam maar onafwendbaar: die zondaar, dat ben ik. Het zijn spiegels van onze ziel.    

In het sprookje Sneeuwwitje, oorspronkelijk van de gebroeders Grimm, maar in ons collectieve geheugen verankerd door de Disney-versie uit 1937, ziet een boze stiefmoeder groen van jaloezie jegens haar stiefdochter. Telkens als de stiefmoeder aan haar magische spiegel vraagt Spiegeltje, spiegeltje aan de wand, wie is de mooiste van ’t hele land? antwoordt deze steevast Sneeuwwitje. De hoogmoedige stiefmoeder rust niet voordat ze haar concurrent heeft uitgeschakeld, wat tot haar eigen ondergang leidt (doodgemarteld door de prins in de Grimm-versie, bedolven door rotsen in de Disney-versie).   

De spiegel uit het sprookje van Sneeuwwitje is een betoverde spiegel. Hij zegt altijd de waarheid, hetgeen de stiefmoeder tot eigen frustratie aan den lijve ondervindt, maar kijkt ook diep in de ziel van ieder die voor hem staat. Spiegels reflecteren niet alleen onze uiterlijke kenmerken, maar spiegelen ook onze emoties en karaktereigenschappen. ‘Spiegelen’ is ook een diepmenselijke eigenschap om emoties van andere mensen te ‘lezen’ en vervolgens te ervaren alsof we ze zelf ondergaan. Bovendien is ‘spiegelen’ ook een psychologische methode om (ongewenst) gedrag van mensen te reflecteren, zodat ze gaan begrijpen wat ze fout doen.   

Die spiegel hangt bij ieder van ons, soms vol in het zicht, maar vaker afgedekt met een wit laken in een kelderkast achter een dik en verstoft hangslot. We kijken liever naar glazen spiegels, die ons spiegelen zoals we graag willen zijn. Die andere spiegel kijkt te diep. De zeven hoofdzonden zijn feitelijk één grote spiegel, zowel voor ieder van ons individueel als voor ons als maatschappij. Ze spiegelen onze fouten en onze spijt, drukken ons op de feiten en ons falen, laten verbroken relaties pijnlijk voelen. Toch is het goed in die zevenvoudige spiegel te kijken: van tijd tot tijd is een detox levensnoodzakelijk om verder te kunnen gaan.   

Zeven zonden van Brabant

Daarom kijken we in deze speciale serie van essays en podcasts naar de zeven zonden van Brabant. Niet om in het verleden vast te blijven zitten, maar om ervan te leren. Wie zijn falen van gisteren vergeet, is gedoemd die morgen te herhalen. We kijken naar Brabants zeven zonden niet om het verleden te veroordelen, maar om de toekomst te openen. We kijken naar Brabants zeven zonden niet omdat de Brabanders zondiger zijn dan andere Nederlanders, maar omdat Brabanders kritisch op zichzelf durven zijn.   

Niet omdat we blijven vastzitten in spijt, maar omdat we willen doorpakken naar de toekomst. Niet omdat we de illusie hebben dat we voorgoed kunnen genezen van onze neiging banden tussen ons en onze naasten door te snijden, maar omdat we willen werken aan nieuwe banden, bezielende verbanden, die hoop geven op een ooit waarin het onmogelijke mogelijk wordt.   

Zeven zonden kent ons mooie Brabant, zeven experts geven we een opdracht. Zeven schrijvers laten hun licht schijnen op wat spijtig is in onze provincie. Zeven woordkunstenaars schetsen een gelaagd profiel van ons Brabantisme in de pijnlijke maar vlijmscherpe reflectie van de spiegel van de boze stiefmoeder. Zeven visionairs kijken met ons naar de toekomst, om ons te manen het verleden niet te herhalen.  

Bron: BrabantKennis