‘Geef de keizer wat des keizers is’. Een bekende uitdrukking in de Nederlandse taal, ontleend aan een nieuwtestamentisch verhaal. Jezus wordt door een Farizeeër uitgedaagd om zich uit te spreken over de Romeinse belastingplicht. Hij laat zich echter niet in woorden vangen en antwoordt cryptisch: ‘Geef wat van de keizer is aan de keizer, en geef aan God wat God toebehoort’ (Matteüs 22:21; Marcus 12:17 en Lucas 20:25). De meeste christenen interpreteren deze uitspraak van Jezus als een goddelijke oproep om – naast goede gelovigen – ook brave burgers en bereidwillige belastingbetalers te zijn, loyaal aan de seculiere staat waarin ze wonen en werken. De vraag is: was dat wat Jezus bedoelde te zeggen? Of zit er een addertje onder het gras?

Deze ‘belastingtekst’, zoals ik die maar even noem, staat in de bredere context van de hoofdstukken 21 tot en met 25. Hierin beschrijft Matteüs, wiens versie we nu even volgen, grofweg de week tussen Jezus’ intocht in Jeruzalem (21:1-17) en het Pesachmaal, ook wel bekend als Laatste Avondmaal (vanaf 26:17). Deze hoofdstukken staan in het teken van de spanningen die Jezus’ publieke optreden in Jeruzalem veroorzaakt. Het grote Joodse feest is nabij, de hoofdstad is mudvol met pelgrims uit binnen- en buitenland en het Romeinse bezettingsleger staat op scherp om elke zweem van opstand in de kiem te smoren. De Joodse hoge raad heeft moeite haar eigen relatieve politieke zelfstandigheid ten opzichte van de Romeinen in stand te houden en kan daarbij geen ongeleide projectielen zoals Jezus gebruiken, die het volk ophitsen tegen de bezetter.

Botsingen

De hoofdstukken 21 en 22 van Matteüs concentreren zich – te midden van al die politieke spanningen, die ik net al even kort beschreef – op enkele botsingen tussen Jezus en zijn theologische tegenstanders, met name de Farizeeën en schriftgeleerden, maar in mindere mate ook de hogepriesters, Sadduceeën en Herodianen. Het begint al aan het einde van Jezus’ intocht in Jeruzalem. Jezus werd door enkele hogepriesters en schriftgeleerden aangesproken (21:15-16). Kinderen zongen enthousiast ‘Hosanna voor de zoon van David’ toen Jezus voorbijkwam. ‘Hoort u wat ze zeggen?’ beten de critici Jezus toe. Jezus snoerde ze de mond: ‘Door de mond van kinderen en zuigelingen hebt u zich een loflied laten zingen.’ Daarna liet Jezus hen staan. Paradoxaal genoeg bevestigde Jezus met zijn verwijzing naar Psalm 8 de kritiek van de hogepriesters en schriftgeleerden dat hij zich voor God zelf zou houden. De ‘u’ in de psalm is immers God zelf.

Jezus reageert daarna nog vier keer in bedekte termen op zijn critici. In de verhalen over de onwillige zoon (21:28-32), de slechte wijnbouwers (21:33-46) en de versmade bruidegom en zijn feest (22:1-15) wijst hij de Farizeeën en schriftgeleerden op hun huichelarij en ongeloof. Zelfs de vijgenboom op Jezus’ pad, die geen vruchten draagt, wordt gebruikt om zijn critici zelf onder kritiek te stellen (21:18-22). De hogepriesters en de Farizeeën begrepen heel goed dat Jezus in bedekte termen zeer negatief over hen sprak, waarop ze hem eerst gevangen wilden nemen (21:45-46; en 22:15) en hem later zelfs uit de weg wilden ruimen (26:3-5). Jezus weet lang zijn kritiek te versluieren in gelijkenissen en verhalen, maar na het zoveelste twistgesprek springt hij uit zijn vel en roept luid ‘wee’ over zijn critici, met naam en toenaam (23:1-39).

Twistgesprekken

In deze context vinden we vijf directe twistgesprekken: over Jezus’ autoriteit (21:23-27), belasting betalen (22:16-22), met de Sadduceeën over de zevenvoudige weduwe (22:23-33), het hoogste gebod (22:34-40) en als laatste over de identiteit van de Messias (22:41-56), waarmee Matteüs feitelijk weer arriveert bij het eerste onderwerp. Het tweede van de vijf twistgesprekken gaat dus over het wel of niet mogen betalen van belastingen aan de Romeinse bezetter. De Farizeeën sturen, nogal laf, enkele van hun leerlingen samen met een aantal Herodianen (die min of meer pro-Romeins waren) naar Jezus toe om ‘hem met een uitspraak in de val’ te kunnen lokken (22:16a). Na een wat slijmerige introductie – ‘Meester, wij weten dat u oprecht bent en in alle oprechtheid onderricht geeft over de weg van God. We weten dat u zich aan niemand iets gelegen laat liggen, u kijkt immers niemand naar de ogen’ (22:16b) – volgt de listige vraag: ‘Zeg ons daarom wat u vindt: is het toegestaan de keizer belasting te betalen of niet?’ (22:17)

Het probleem in het beantwoorden van deze vraag is dubbel. Als Jezus ‘nee’ zou antwoorden, zou hij hiermee zijn tegenstanders, en dan met name de Herodianen (vandaar dat die door de Farizeeën waren meegestuurd) een aanleiding gegeven hebben hem bij de Romeinen aan te geven. Gezien het feit dat Jezus zijn uitspraken waarschijnlijk in het bijzijn van een aanzienlijk groep getuigen zou doen, kon hij later niet meer ontkennen. En de Romeinen zouden een publieke oproep om geen belasting te betalen best kunnen beoordelen als een impliciete oproep tot ongehoorzaamheid aan Rome, waarop zeer zware straffen stonden. Als Jezus echter ‘ja’ zou antwoorden op de vraag, dan zouden de Farizeeën weer een aanleiding hebben om zijn autoriteit onder het Joodse volk aan te vallen met beschuldigen van collaboratie met de Romeinse bezetter. 

Valstrik

Jezus heeft echter direct door welke val voor hem wordt opgesteld. ‘Waarom stelt u me op de proef, huichelaars?’ zo vraagt hij hen afkeurend. Dan vraagt hij hen om zo’n belastingmunt, een denarie. Een denarie (denarion in het Grieks) was een Romeins betaalmiddel met daarop het hoofd van een Romeinse keizer, zoals Tiberius, Augustus of Julius Caesar en een Latijnse inscriptie die de goddelijke waardigheid van de afgebeelde persoon moest beschrijven. De munt in de kwestie tussen Jezus, de Farizeeën en de Herodianen, had dus een sterke connotatie met de gehate bezetter en werd bovendien gebruikt door diezelfde bezetter om belasting te heffen. Op deze wijze moesten de Joden hun eigen bezetting financieren, hetgeen de munt een politiek geladen object maakte. 

Jezus vraagt aan de Herodianen en de leerlingen van de Farizeeën wiens afbeelding op de munt staat (22:20). Zoals eerder beschreven staat op de munt de afbeelding van de Romeinse keizer, de caesar, hetgeen door de vragensteller ook wordt bevestigd (22:21a). Dan zegt Jezus zijn beroemde woorden: ‘Geef dan wat van de keizer is aan de keizer, en geef aan God wat God toebehoort’ (22:21b). De Farizese leerlingen en Herodianen ‘waren zeer verbaasd toen zij dit hoorden. Ze lieten hem staan en gingen weg’ (22:22). Jezus heeft zijn tegenstanders de mond gesnoerd en zij kiezen met de metaforische staart tussen de benen het hazenpad. Het lukte ze niet Jezus op zijn woorden te vangen. Maar wat zegt Jezus eigenlijk?

Twee rijken

In eerste instantie lijkt Jezus’ antwoord te suggereren dat er twee ‘rijken’ zijn (zoals dat later in de traditie is gaan heten). Het ene rijk is van de wereld, waar seculiere machthebbers het voor het zeggen hebben en waarin gelovige burgers gewoon hun belasting moeten voldoen. Het andere rijk is het hemelse rijk, waar God heerst en waarin van belasting betalen geen sprake is. Jezus lijkt beide heersers – God en de keizer – naast elkaar neer te zetten, hen van elkaar te scheiden zonder hen tegen elkaar uit te spelen. God verdient aanbidding en lof, de keizer zijn centjes. 

Binnen de christendemocratische traditie is dit Bijbelvers dan ook nadrukkelijk gebruikt om de verhouding tussen kerk en staat theologisch en Schriftuurlijk te kunnen onderbouwen. De kerk bemoeit zich met geestelijke zaken, de keizer/koning/president/staat bemoeit zich met wereldlijke aangelegenheden zoals publieke orde en openbare voorzieningen, gefinancierd door het ophalen van belastingen bij de eigen burgers. Jezus roept niet op tot opstand tegen de wereldlijke heerser, maar tot gehoorzaamheid eraan. Jezus zegt bovendien zelf tegen Pontius Pilatus dat zijn koninkrijk niet bij deze wereld hoort (Johannes 18:36). 

Denarie

Maar ik twijfel aan deze traditionele lezing die de maatschappelijke status quo in stand houdt. Volgens mij zegt Jezus iets revolutionairs. Volgens mij roept Jezus op vooral geen belasting te betalen en daarmee de Romeinse keizer vooral niet onderdanig te zijn. Jezus heeft, als eerste, zelf geen Romeinse denarie op zak. Hij moet er om eentje vragen en krijgt die ook, namelijk van één van zijn critici. Dat betekent overigens direct ook dat de betreffende Farizese leerling of Herodiaan wel zo’n muntje bij zich draagt. En daarmee is de setting feitelijk al duidelijk. Jezus heeft geen belastingmunt, zijn opponent wel. Jezus betaalt geen belasting, zijn opponent doet dat kennelijk wel.

En daarvoor is meer bewijs in de tekst te vinden. De crux ligt namelijk in de frase ‘wat aan de keizer is’, of in mooi ouder Nederlands, wat is des keizers? Wat komt de Romeinse keizer toe? De keizer staat afgebeeld op de denarie, terwijl het afbeelden van mensen binnen de Joodse traditie problematisch is. Bovendien identificeert de keizer zich als goddelijk, hetgeen zelfs expliciet op de munt vermeld staat. Het idee van vergoddelijkte mensen of van het bestaan van meer dan één godheid was (en is) binnen het Jodendom al even ondenkbaar. Wie zich voordoet als God, maar het niet is – zoals in het geval van de Romeinse keizer – is dus een valse god, een afgod. En de Hebreeuwse Bijbel kent maar één vonnis voor afgoden: totale vernietiging. 

Afgod

Nemen we als voorbeeld een tekst uit Deuteronomium (12:2b-3) waarin God verordineert: ‘U moet hun gewijde plaatsen met de grond gelijkmaken, hun altaren slopen en hun gewijde stenen verbrijzelen; hun Asjerapalen moet u verbranden en hun godenbeelden in stukken hakken. Er mag niets overblijven dat aan die goden herinnert.’ Deze en andere teksten resoneerden waarschijnlijk mee in de oren van de toehoorders bij het horen van Jezus’ woorden. Het feit dat Jezus’ critici het ook zo begrepen, is indirect af te leiden uit een passage in Lucas (die ook het ‘belastingverhaal’ in zijn evangelie op heeft genomen). Als Jezus voor Pilatus wordt geleid, uiten Jezus’ vijanden de volgende beschuldiging: ‘We hebben vastgesteld dat deze man ons volk van het rechte pad afbrengt en de mensen ervan weerhoudt belastingen aan de keizer te betalen en dat hij van zichzelf zegt de messiaanse koning te zijn.’ 

Jezus roept zijn volgelingen op dus vooral geen belasting aan de keizer te betalen, maar hem juist te straffen zoals je met een afgod zou doen. Door zijn revolutionaire oproep echter in een cryptische tekst te vatten, voorkwam hij arrestatie door de Romeinen, terwijl de goede toehoorders precies begrepen waar het om ging. Jezus was geen vriend van de Romeinen, of beter geformuleerd, Jezus was geen fan van de Romeinse bezettingsmacht. En meebetalen aan je eigen bezetting kon hij dan ook niet ondersteunen. 

En wij dan?

Wat betekent dat voor onze wereld, waarin christenen toch eigenlijk altijd netjes en braaf belasting betalen aan de seculiere regering? Als wij als christenen ophouden met belasting betalen, dan maken we het niet lang in onze samenleving. Weliswaar zullen we er niet meer voor geëxecuteerd worden zoals in Jezus’ tijd, maar een vette gevangenisstraf zit er dan wel in. Je kan niet functioneren in onze maatschappij zonder aan allerlei seculiere voorzieningen mee te doen: ziektekostenverzekering, brandweer, politie, enzovoorts. We maken er immers ook dankbaar gebruik van als we ziek zijn of als ons huis in de brand staat. Misschien moeten we zo Jezus’ woorden ook weer niet wegen.

Ik denk dat het in Matteüs (en de andere evangeliën) niet gaat om het principe van belasting betalen per se, maar om belasting betalen aan een al dan niet buitenlandse overheerser, die zichzelf bovendien een goddelijke status toedicht. Zo’n keizer hoef je niet te gehoorzamen, zo’n rijk hoef je als christen niet te financieren. Jezus roept ons op geen overheersing van buitenaf te accepteren, maar je te verzetten tegen de kwade macht. Jezus roept ons ook op om niets of niemand heilig te noemen dan God alleen. En elke regering of machthebber die zichzelf boven God stelt, verdient een goede draai om de oren en geen onderdanigheid. Aan God alleen komt alle eer toe, aan onze regeringsleiders alleen een weloverwogen, pragmatische loyaliteit. En dat is wel degelijk een heel belangrijk verschil. 

Bron: deBijbel.nl