NPOradio1.nl

De Bob weg, tijdperk eindigt


De bobslee in de Efteling gaat wieberen. En dan heb ik het niet over de chronische bibberitis die je boten en pezen door elkaar heen rammelt elke keer dat je in zo’n glijdende doodskist gaat zitten. Nee, de bobslee, die toepasselijk De Bob heet – geef die bedenker een Nobelprijs, moet wijken voor een nieuwe dubbele achtbaan met de naam Max & Moritz.

800px-Bobbaan_entrance

Volgens het pretpark gaat het over twee jongens in een Zwitsers dorpje die de boel op stelten zetten met hun grappen en grollen. Leuk zo samen met De Baron, die kan Max & Moritz gelijk te werk stellen in de mijnen. Anders hebben we altijd nog het galeischip: ook een mooie oplossing voor jeugdige delinquenten die door de ongeschiktheid van de tijd niet meer beschikbaar is.

Nostalgie

Maar waarom schrijf ik over die ouwe karretjes? Noem het sentiment. Noem het nostalgie. Toen ik nog een klein mannetje van een jaar of twaalf was ging ik in de zomervakantie altijd naar de Efteling. Als enig kind – nu begrijpt u gelijk waar mijn karakter vandaan komt – had ik niet bepaald veel vriendjes en vriendinnetjes. Ik was het stereotypische dikkige jochie met een net iets te grote bril die in een Teenage Mutant Ninja Turtles-shirt liep twee jaar na het overwaaien van de hype. Zo’n kind dus. Maar in de Efteling was ik veilig. En met mijn ouders.

De taakverdeling in ons mini-gezinnetje was met militaire precisie afgesproken. Mijn moeder bleef breiend bij de tassen vol met zelf-meegenomen eten en drinken. U weet toch wat het verdienmodel van de Efteling is? En nee, niet de toegangsprijs, hoewel die met meer dan 50 euro ruimschoots boven het budget van de gemiddelde bijstandsmoeder zit. Mijn moeder bleef bij de tassen, maar niet zonder kilometers aan zwachtels te breien bedoeld voor de arme kindjes in de arme landen. En terecht: zij deed tenminste iets, in plaats van op de bank een 3 euro-sms-je sturen voor Sulawesie.

Ik scheet zeven kleuren

Met mijn vader ging ik de attracties in. De wildwaterbaan (de Piranha), Festival (met dat vervelende ‘ta-tata-ta-tada-ta-ttaaaaaa’) en natuurlijk Fata Morgana, waarvan ik nu pas met terugwerkende kracht begrijp hoe ongelofelijk oriëntalistisch die attractie eigenlijk is. Maar ja, daar maakten we ons toen nog druk over. Mooie tijd was dat. Ongecompliceerd ook. Maar ook gingen we samen graag de Bob in. Nu scheet ik zeven kleuren stront in dat ding: ik ben een bangerik als het gaat om achtbaanachtige constructies en dat ik met mijn kinderen De Vliegende Hollander in gegaan ben, zet mij op gelijke hoogte van de spreekwoordelijke held Michiel de Ruyter. Die ook niet meer mag, De Ruyter bedoel ik. Zo heb je altijd wat.

Mijn vader ging mee in De Bob. Hij was zo mogelijk nog banger dan ik, maar slaagde er wonderwel in een mannelijke voorbeeldfiguur voor mij neer te zetten. Bijkomende uitdaging voor mijn vader: hij heeft al sinds zijn tienerjaren een beenprothese. Even niet opgelet met het illegaal op een tram meerijden en daar ging 70 jaar toekomst in een flits van een seconde voorbij. Nooit over geklaagd. Nooit over gezeurd. Mijn vader ging mee in De Bob, al moest hij na afloop het ijzeren ding van een prothese demonteren van de nek van de mensen die voor ons in het vaartuig zaten.

En nu gaat De Bob dicht. En daarmee voor mij een tijdperk. Mijn ouders zijn niet meer bij elkaar. Mijn vader heeft nog steeds zijn prothese. Mijn moeder breit niet meer voor de missie. Dat mijn ouders ooit konden scheiden heb ik toentertijd nooit kunnen vermoeden. Ze praten nog met elkaar. En dat vind ik groots. Maar nooit meer zal ik met mijn vader in De Bob zitten. Niet omdat mijn vader er niet meer is, maar omdat dat rammelding moet wijken voor de vooruitgang. Sommige dingen gaan voorbij. Sommige dingen breken stuk. Sommige dingen worden nooit meer heel. En toch: het was een mooie tijd. En die herinnering neem ik mee, zolang ik verder leef.

Dank, pa. Dank ma. Voor de mooie dagen in de Efteling. Dank dat ik besta.

Bron: NPOradio1.nl

Advertenties