Cobbenhagen

Dans Macabre in Monnickendam


De dodendans is springlevend in Monnickendam. De dood gaat voorop en wenkt de mensen in de huizen. Niemand kan weerstand bieden. Want voor de dood is iedereen gelijk.

dans macabre.jpg

Een van mijn vroegste herinneringen aan de Efteling brengt mij terug in het spookslot. Ik heb het dan over heel lang geleden, toen de Python de nieuwste attractie was in het park. Ik moet een jaar of acht geweest zijn. En mijn moeder probeerde me te overtuigen om naast het Sprookjesbos ook het spookhuis te bezoeken. Geheel zonder resultaat overigens, want dapperheid was niet een gave die mij vroeg geschonken was.

Later ben ik wel naar binnen gegaan natuurlijk, en nog steeds ga ik er graag heen, als ik met mijn gezin de Efteling bezoek. Het poppenspel doet mij nostalgisch kitsch aan, maar vooral de muziek maakt het toch elke keer weer een belevenis. De Danse Macabre van Camille Saint-Saëns (1835-1921) ramt zich elke keer weer diep mijn onderbuik in: waanzin en vrolijkheid met een luguber sausje. Alsof er blauw bloed uit je biefstukje komt stromen of zo.

Eerder deze week kwam ik weer op een hele andere manier in aanraking met deze dodendans, maar dan in Monnickendam. Monnickendam is een Hollands vissersplaatsje waar nooit iets gebeurd en de kroegen om tien uur ’s avonds keurig gesloten zijn. Maar één keer per jaar, op 2 november, Allerzielen, slingert een merkwaardige springprocessie zich door de nauwe straatjes en pittoreske bruggetjes van het dorp.

De dood loopt voorop, compleet met schedel en zeis, geflankeerd door fakkelsdragers. Op de bizarre klanken van doedelzakken en trom danst de dood door het dorp, gevolgd door een bonte stoet van boeren, burgers en buitenlui. Ik zag een paus hand in hand met een boerenknecht en een edelvrouw ingehaakt bij een koopman. Jong en oud, man en vrouw, rijk en arm, allen volgen de dood op het ritme van de trom.

Bij twee huizen bonsde de dood op de deur. En tweemaal nam de dood zijn onwillig en weigerend slachtoffer mee naar buiten. En ook deze zielen moesten zich voegen in de door hem aangevoerde dodendans. Als de dood je komt halen, heb je niet veel meer te willen. Hem kan je niet weigeren. Hij is, zoals Herman Finkers zegt, je laatste minnaar aan wie je de laatste dans niet weigeren kan.

Bij een ander huis stond de stoet stil, met de dood nog steeds aan het hoofd. De muziek zweeg, de mensen zwegen en bogen het hoofd. Een trom sloeg eenzaam in de duisternis. Een ode aan de overledene die niet zo lang geleden vanuit dit huis naar zijn graf was begeleid. De dood heeft respect voor het leven, daarom hebben de levenden ook respect voor de doden. Aan het begin en het einde van de tocht stond ook iedereen doodstil in een kring, het gezicht naar buiten gekeerd, als herdenking aan alle doden die dat jaar in Monnickendam waren te betreuren.

Het oude thema van de Dodendans krijgt hiermee opnieuw een indrukwekkend gezicht. Oorspronkelijk is de dodendans een thema uit de middeleeuwse schilderkunst, vooral in tijden van pest en andere dodelijke epidemieën zeer populair. Het laat de dood zien, meestal als skelet, die mensen van alle rangen en standen, mannen zowel als vrouwen, kinderen en bejaarden met zich mee voert. Hoe verschillend we ook zijn in het sterfelijke leven, voor en in de dood zijn we allemaal gelijk. En geen rijkdom kan ons afdalen in het graf tegenhouden.

De dodendans in Monnickendam deed mij denken aan het memento mori, de oude spreuk uit de monastieke traditie, dat je kan vertalen als ‘gedenk de doden’, maar ook als ‘gedenk dat je sterven zult’. En beiden kwamen samen in de dodendans: het herdenken van de overledenen, maar ook teruggeworpen worden op je eigen kwetsbaarheid en sterfelijkheid. Morgen kan het gedaan zijn, vier daarom vandaag.

Op het einde van de tocht toostten de aanwezigen op het leven, in het aanschijn van de dood. En op weg terug naar huis echode de klanken van Heilige Saëns, en dansten de doden hun oneindige dans.

Bron: Tilburg Cobbenhagen Center

Advertenties