Cobbenhagen

Onze cultuur


Ze staat wel heel erg in de belangstelling, onze cultuur. Als ze een gezicht had, ging ze er van blozen. Vier jaar lang politiek muurbloempje en nu, vlak voor de verkiezingen, willen alle populaire jongens met haar dansen. Ze is echter niet gek. Ze weet dat ze niet om haar geven, maar om alle kiezers die vertederd kijken naar hun onzekere dans.

netherlands-1945177_1920

Gisteravond in het Carreé-debat ging het over twee onderwerpen: de zorg en onze cultuur. Dat de heren – en één dame, die moedig standhoudt tegen de Haagse overweldigers – de degens kruisten over ons zorgsysteem lijkt me het debat zeker waard. We hebben één van de beste zorgsystemen van de wereld, maar als we niet opletten wordt dat systeem onhoudbaar of plonzen er steeds meer kleine groepjes zieken, ouderen gehandicapten naast het zorgvangnet.

Maar het ging ook over ‘onze cultuur’. Hoe die beschermd moet worden tegen invloeden van buitenaf. Hoe trots we mogen – dat is een chique woord voor ‘moeten’ – zijn op onze cultuur. Hoe we haar verwaarloosd hebben. Hoe we haar ‘sluipenderwijs kwijtraken’. Vooral Sybrand Buma (CDA) kwam de afgelopen dagen al goed op stoom met zijn pleidooi voor een herwaardering van het Wilhelmus, het ‘mooiste en oudste volkslied’ ter wereld.

Buma’s pleidooi heeft iets aandoenlijks, het vertedert bijna. Als we al onze kinderen het Wilhelmus leren zingen, elke ochtend in de klas, met de hand op het hart, staande voor de Nederlandse vlag, dan lossen al onze andere problemen zich als sneeuw voor de zon op. Ik vind dat dus aandoenlijk, een politieke variant op Teletubbie-land.

Buma is echt niet de enige die met dit thema aan het flirten is. Ook Mark Rutte, Geert Wilders en Thierry Baudet (Forum voor Democratie) waren de afgelopen weken druk in de weer zich op te werpen als de beschermer van de Nederlandse cultuur, normen en waarden. Jan-Peter Balkenende moet echt de tijd van zijn leven hebben, nu zijn toentertijd zo vergruisde ‘fatsoen moet je doen’ nu in het hart van de politieke discussie belandt.

Tegelijkertijd word ik er altijd zo moe van, dat koketteren met ‘onze cultuur’. Toenmalig prinses Maxima zei het al, de Nederlandse cultuur, ‘ik ben hem niet tegen gekomen’. Ze kreeg een stortlading kritiek over zich heen, die zij echter uiterst gemakkelijk van haar rooms-katholieke rug kon laten glijden (zo rollen wij, papen). Maar ze heeft wel een punt.

Als we de Rutte’s, Baudets, Verwilderden en Buma’s door de mixer heen halen, moeten we respect gaan hebben voor een anonieme Paashaas die met Kerstmis haar eieren verstopt achter een molen en twee gebarsten klompen terwijl ze het zesde couplet van het Wilhelmus neuriet. Want laten we eerlijk zijn: waarom zijn wij anders dan anderen?

Onze taal komt uit India, onze aardappelen uit Midden-Amerika. Ons geloof komt uit Israël, ons rechtssysteem uit Frankrijk. Onze windmolens komen uit Perzië, onze getallen uit Arabië. Ons papier komt uit China, onze films uit Amerika. En onze hamburger via Amerika, Duitsland en Rusland uit Mongolië. Als Nederland ooit iets geweest is, dan is het een smeltkroes van culturen, gewoontes en zeden meegenomen door handels- en ontdekkingsreizigers, door missionarissen en avonturiers.

Ik vind het een uitstekend idee om over onze cultuur te praten, maar niet in de vorm van ons volkslied. Ik vind het een uitstekend idee om over onze cultuur te praten, maar niet als middel om anderen buiten te sluiten, niet als onzichtbare erfgrens die alleen mondjesmaat mag worden overschreden, niet als imaginair hek tussen ‘jou’ en ‘mij’, niet als stok om mee te slaan, niet als een vluchtig geschreven liefdesbriefje in tijden van verkiezingen.

Bron: Tilburg Cobbenhagen Center

 

Advertenties