Ode aan de val


Je ziet hem gaan. Langzaam, als in slow motion. Je ziet hem remmen. Maar het is te laat. Je ziet hem bijsturen. Maar dat helpt niet meer. Je ziet hem denken: dat red ik niet meer. En je weet: hij heeft gelijk. Hij smakt tegen het asfalt. Hij schuift over de kasseien. Hij rolt door het prikkeldraad. Hij valt in de afgrond. Hij verliest ’t van de tourauto. Plat op de grond ligt hij: gebroken. (Beluister de column)

Dat unieke moment, tussen de val die zich al aankondigt, onafwenbaar en genadeloos, en het neerkomen op de aarde, die ene seconde tussen hemel en aarde, daar is ’t te vinden: de val. Elke renner vreest de val. Hij weet dat ie komen gaat. Hij weet alleen niet wanneer. De renner kan slechts hopen. Steen in plaats van asfalt. Dat geeft minder brandwonden. Gras in plaats van prikkeldraad. Dat valt zachter. Tijdens een toch al verloren race in plaats van op koppositie in de eindsprint.

De toeschouwer, voor de televisie, de hele wereld lijkt ’t wel, houdt even de adem in. Ik sla een hand voor mijn mond. Even lijk ik zijn pijn te voelen. En ik denk: sta op, man. Sta toch in Godsnaam op. En gelukkig staat hij vaker wel op dan niet. De hand aan de pols: gebroken. De hand op het sleutelbeen: gebroken. De hand tegen zijn hoofd: hersenschudding. Soms stapt hij weer op, soms rijdt hij de race uit. Vaker moet hij later toch opgeven. Het geschonden lichaam eist zijn rust. Nog vaker stapt hij niet meer op zijn fiets, maar in de auto van zijn ploegleider.

De val is verschrikkelijk. Je gunt het geen renner. En toch kent de val zijn ijselijke schoonheid. Het ene moment dat de zwaartekracht sterker blijkt te zijn dan elke evenwichtskunst. Het ene moment waarop de renner geen antwoord heeft op de speling van het lot. Het moment waarop dood even op de fiets springt en loerend naar zijn prooi kijkt.

Het is deze confrontatie met de dood, die de val zijn schoonheid verleent. De dood is voor iedereen de laatste minnaar. Wij wensen deze minnaar nu nog niet te ontvangen, we houden hem buiten de deur. Maar de renner, in zijn val, staart hem in de ogen. En door de vallende renner heen, zien wij hem ook staan. Hij kijkt de camera in en zwaait ons toe, thuis op de bank. Geen vaarwel, maar een belofte tot een onvermijdelijk wederzien.

De renner, hij valt. En met hem ik ook.

Bron: Sportzomer (NOS/EO, NPO1)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s