Het geheim van Bérenger Saunière


Naast de berg van Montségur is het kleine bergdorpje Rennes-le-Château een van de meest interessante plekken van zuid-Frankrijk. Althans voor de cultuurtheologisch geïnteresseerde bezoeker dan. Rennes vormt het middelpunt van een van de grootste moderne legendes van het Westen: het geheim van pastoor Bérenger Saunière en zijn documents secret, die de bron zouden hebben gevormd voor Dan Browns wereldberoemde romen De Da Vinci Code. Een kritische beschouwing is op zijn plaats. Wat is er nu precies waar van al die legendes rond Maria Magdalena, Jezus en de verloren bloedlijn?

Noel Corbu als Berenger Sauniere (1961)

De schat van vader François Bérenger

In 1885 wordt de zoon van de burgemeester van Montazels benoemd tot pastoor in een klein Frans dorpje, Rennes-le-Château. Zijn naam is François Bérenger Saunière. Het lijkt niet echt een bevordering, want de kerk en de pastorie zijn in zeer slechte staat. Vanwege zijn netwerk (en dat van zijn familie) weet Saunière echter de nodige fondsen te verzamelen om in 1887 de eerste restauratie van de kerk te financieren. Als het altaar vervangen wordt voor een nieuw exemplaar, zou de pastoor een aantal perkamenten hebben gevonden in een van de zuilen waar het oude altaar op ruste. De zuil heeft nog een tijd dienst gedaan als sokkel voor een Mariabeeld in de tuin voor de kerk. Bij latere bestudering bleek deze zuil geen holle ruimtes te hebben.

Anderen spreken over een holle, houten standaard, gevonden door de plaatselijke klokkenluider. Andere verhalen suggereren dat bij de plaatsing van het nieuwe altaar een vloertegel beschadigd werd, waaronder een (nieuwe) vondst werd gedaan. Volgens ooggetuigen gaat het dan om een pot die gevuld lijkt met muntstukken. Saunière zegt dat het om waardeloze Lourdesmedialles gaat. Volgens sommige experts zou het gaan om een geheime bergplaats van één van Saunière’s voorgangers, Antoine Bigou, die ten tijde van de Franse revolutie enkele kerkelijke schatten verstopt zou hebben.

In 1891 vindt de pastoor nog een derde bergplaats: een graftombe in de kerk. Volgens het parochieregister stierf in 1705 een rijke dame, Dame Delsol, die het adellijke voorrecht kreeg in de kerk begraven te worden. Volgens het register lag haar graf bij de “ballustre”, Frans voor een soort houten standaard, precies zo’n standaard als door de klokkenluider gevonden zou zijn. Saunière wist precies waar de standaard had gestaan: hij was onderdeel van een preekstoel die hij in 1891 had laten vervangen en de oude verplaatsen. De pastoor stuurde de werklui naar huis en ging op eigen onderzoek uit bij het graf. Hij gaat ook op onderzoek uit op het lokale kerkhof (meestal ’s nachts), tot hij van kerkelijke hogerhand het bevel krijgt te stoppen met deze ‘grafschennis’.

Wat de pastoor ook gevonden moge hebben, zijn rijkdom nam vanaf die tijd ruimschoots toe. Hij laat de kerk in barokken stijl opknappen en koopt tussen 1898 en 1905 vijf terreinen in de buurt van de kerk, allen op naam van zijn huishoudster Marie Dénarnaud. Op de terreinen laat Saunière een bescheiden landelijke villa bouwen en een toren. De villa noemt hij ‘Béthanie’ en de Toren ‘Tour Magdala’ (de ‘Toren van Magdala’). Deze ‘rijkdom’ heeft van het begin af aan speculaties opgeleverd over de bron van de rijkdom. Misschien had hij echt een schat gevonden, of in keihard goud en edelstenen, of in de zin van een groot geheim. Een geheim dat de kerk, bij monde van zijn goed ingevoerde priesterbroer en zijn bisschop, ten koste van alles in de doofpot wilden stoppen. Als Saunière in 1917 sterft, erft zijn huishoudster Marie Dénarnaud al zijn bezittingen. Het leven van Saunière eindigt hier, maar zijn verhaal van Rennes-le-Château begint hier pas.

De mythe begint

In 1945 koopt een zekere Noël Corbu de domeinen van wijlen pastoor Saunière. In de oorlog zaten de Corbu’s in Bugarach, niet ver van Rennes-le-Château. Daar hoorden zij van de geheimzinnige rijkdommen van pastoor Saunière. De Corbu’s zijn niet zulke succesvolle zakenmensen, maar weten uiteindelijk de Villa Béthanie met lijfrente te kopen, terwijl de huishoudster op de pastorie mag blijven wonen. Hoewel de relatie tussen de familie en madame Dénarnaud erg goed zijn, neemt zij het geheim van haar pastoor mee in haar graf als zij in 1953 overlijdt.

Noël Corbu zoekt zich tientallen jaren een ongeluk op de domeinen van Saunière om uiteindelijk niets te vinden. Omdat zijn andere handeltjes niet echt lekker lopen, besluit hij een hotel-restaurant in villa Béthanie te beginnen. Om genoeg klandizie te generen voor zijn hotel – dat in de Franse middle of nowhere ligt – maakt Noël Corbu gretig gebruik van wat inmiddels de legende van Rennes begint te worden: de rijkdom van meneer pastoor. De klanten stromen toe, zeker als de hoteleigenaar het bestaande verhaal opsmukt met een toefje koninklijke dramatiek. De schat die Saunière gevonden zou hebben, zou in werkelijkheid van de Franse kroon zijn geweest. Om veiligheidsredenen zou regentes Blanche van Castilië de Franse koninklijke schat naar Rennes gebracht hebben terwijl haar zoon Lodewijk de Heilige op Kruistochten was. Zo ontstaat ook de eerste connectie tussen de ‘schat’ van Rennes-le-Château en de kruistochten.

In 1956 besteedt een lokale krant ‘La Dépêche du Midi’ uitgebreid aandacht aan het goed lopende hotel-restaurant en de bijbehorende reden. Rond diezelfde tijd verschijnt ook het boek Trésors du Monde enterrés, emmurés, engloutis (‘Begraven, ingemetselde en verzwolgen schatten van de wereld’) van schatgraver-auteur Robert Charroux. Hierin besteedt hij een klein stukje tekst aan de schat van Rennes. Al deze publiciteit levert steeds meer schatgravers op tot in 1965 een idioot het halve dorp opblaast met kilo’s dynamiet. De gemeente van Rennes-le-Château heeft schatgraven daarom verboden. In datzelfde jaar verkoopt Noël Corbu zijn goedlopend hotel en komt kort daarna bij een auto-ongeluk om.

In 1967 verschijnt het eerste boek dat exclusief over de schat van Saunière gaat. Sinds 1960 neust de Parijse onderzoeksjournalist Gérard de Sède rond in Rennes. Dat onderzoek mondt dus uit in L’or de Rennes ou la vie insolite de Bérenger Saunière, curé de Rennes-le-Château (‘Het goud van Renne of het ongewone leven van Bérenger Saunière, pastoor van Rennes-le-Château)’. De Sède beschikt over twee documenten die Saunière in zijn kerk gevonden zou hebben. De inhoud van de documenten blijft rijkelijk vaag tot in de Engelse onderzoeksjournalist Henry Lincoln op vakantie in Frankrijk een exemplaar van De Sède’s boek in handen krijgt en tot zijn stomme verbazing een ‘code’ uit één van de twee documenten weet te kraken.

Lincoln bijt zich ook professioneel vast in de materie (hij werkt voor de Britse BBC). In totaal zou hij drie documentaires maken over Rennes-le-Château. Hierin verwijst Lincoln naar een paar geheimzinnige documenten die in de Bibliotheque Nationale in Parijs worden aangetroffen, en die toepasselijk de Documents Secrets worden genoemd (de ‘Geheime Dossiers’). En samen met collega’s Michael Baigent en Richard Leigh schrijft hij één van de belangrijkste boeken over Saunière en zijn ‘schat’: Holy Blood Holy Grail (‘Heilig Bloed Heilige Graal’). Het zal dit boek zijn dat Dan Brown inspireren zal om zijn wereldberoemde ‘De Davi Vinci Code’ (2004) te schrijven, een boek dat de ingewikkelde theorieën van allerlei schatgravers en theoretici rond Rennes-le-Château voor een breed publiek zou openen. Later schrijven de drie Britse journalisten in 1986 nog een soort van vervolg: The Messianic Legacy (‘De Messiaanse Erfenis’).

Volgens Lincoln, Baigent, Leigh en later dus ook Dan Brown heeft de schat van pastoor Béreger Saunière te maken met een doofpotaffaire van ongekende proporties. De grove lijnen van deze samenzweringstheorie zijn genoegzaam bekend, maar voor de volledigheid worden ze toch even geschetst. Jezus van Nazareth had een fysieke, seksuele relatie met Maria Magdalena. Die fysieke relatie mondde uit in een zwangerschap. Na Jezus’ executie vlucht Maria Magdalena samen met Jozef van Arimathea naar de joodse kolonie in de buurt van het Franse Marseille. De schoot van Maria zou later model staan voor de Heilige Graal. Het oud-Franse ‘San Grael’ zou verkeerd begrepen zijn. Er moet gelezen worden ‘Sang Real’, dat ‘koninklijk bloed’ betekent. De Heilige Beker waar de gehele christenheid achteraan heeft gezeten, is dus eigenlijk de schoot van Maria Magdalena waarin de koninklijke bloedlijn van Jezus wordt bewaard.

Vervolgens worden de Merovingische dynastie (koning Dagobert II), Tempeliers, Katharen, Graalridders, Parcifal, Vrijmetselaars, Rozenkruisers en nog honderden andere grote en kleine historische organisaties aan elkaar gekoppeld als bovengrondse ‘oprispingen’ van een geheime organisatie ‘Le Prieurè de Sion’ (de ‘Priorij van Sion’). Deze supergeheime organisatie zou strijden voor het behoud van de bloedlijn (en de kennis hiervan) van Jezus en Maria, en deze beschermen tegen de officiële Katholieke Kerk. Paus en bisschoppen zien hun macht bedreigt worden door deze ‘ware kerk’ en zou de bloedlijn en de bekendheid hiervan met alle macht willen onderdrukken. Desnoods met moord en andere misdaden.

Uit de door Lincoln cum sui gevonden Documents Secrets zou ook blijken dat de grootmeesters van deze Orde van Sion niet de minsten der aarde waren: Leonardo da Vinci, Isaac Newton, Victor Hugo, Claude Debussy, Jean Cocteau en Pierre Plantard de Saint-Clair, de laatste nog levende afstammeling van koning Dagobert II en daarmee van Jezus en Maria Magdalena. Lincoln interviewt hem persoonlijk voor één van zijn BBC-documentaires. Zoals al eerder gezegd maakt Dan Brown met zijn De Da Vinci Code (2004) deze theorieën wereldberoemd tot en met een zeer succesvolle bioscoopfilm toe (2007).

‘Troonpretendent’ Pierre Plantard

Dan komen er echter kreukels in het groepje rond Rennes-le-Château: Lincoln, Plantard en De Sède vliegen elkaar publiekelijk in de haren door elkaar van oplichterij te beschouwen. Inmiddels zijn de theorieën rond Holy Blood Holy Grail door experts nader onderzocht. Het volgende lijkt te zijn voorgevallen.

Als Noël Corbu zijn hotel-restaurant promoot komt ‘troonpretendent’ Plantard op een idee. Deze in 1920 geboren Fransman is geobsedeerd door ridderordes en collaboreert in de Tweede Wereldoorlog met het Vichy-regime door de oprichting van antisemitische en racistische clubjes. Hoewel Plantard zich tegen het einde van de oorlog bij het verzet aansluit, komt hij toch voor vier maanden in de cel terecht.

In 1956 richt Plantard dan de later zo veelbesproken ‘Prieuré de Sion’ op. Volgens de Franse wet moet deze stichting worden gedeponeerd. Plantard en een paar vrienden doen dat op 15 juni te Saint-Julien-en-Genevois met als doelomschrijving ‘studie en onderlinge hulpverlening’. Plantard is secretaris-generaal van het naar de nabij gelegen berg ‘Mont Sion’ genoemde vriendenclubje gespecialiseerd in pokerpartijtjes. Binnen een jaar is de vereniging praktisch dood, maar wordt niet uitgeschreven uit het register in Saint-Julien.

Plantard begint rond die tijd zijn ideeën rond zijn afstammelingschap verder vorm te geven. Hij wil zich uitgeven voor de onbekende zoon van de anders kinderloos gestorven Franse koning Dagobert de Tweede. Deze onbekende zoon Sigisbert (Lincoln cum sui zouden later beweren dat Dagobert vermoord en Sigisbert ontvoerd is door de r.-k. kerk) zou een verre voorvader van Plantard zijn. Hiermee geeft Plantard ook zijn pretenties op de Franse troon weer.

Of hij serieus van zichzelf geloofde van Sigisbert af te stammen of dat het voor hem een dodelijk serieus ‘spel’ was, is nooit duidelijk geworden. In ieder geval fabriceert Plantard samen met zijn vriend en variété-artiest Philippe de Chérisey de noodzakelijke ‘historische’ bewijzen voor zijn ideeën. Hij bewerkt een bestaande stamboom door zijn eigen familie toe te voegen inclusief een verwijzing naar de gravin Marie de Saint-Clair. Vanaf dat moment draagt Plantard dus zijn adelijke naam: Pierre Plantard de Saint-Clair, laatste afstammeling van koning Dagobert, koning der Fransen. Op dit moment is er nog geen enkele verdere connectie te bekennen met Jezus van Nazareth, Maria van Magdala of Tempeliers.

Hoewel zijn oude ‘Prieuré-vrienden’ hem later publiekelijk zullen afvallen (o.a. in een BBC-documentaire uit 1993), gaat Plantard gewoon door. Als de Parijse onderzoeksjournalist Gérard de Sède opduikt met een artikel in een krant over de schat van de Tempeliers. Plantard stelt zichzelf voor als een archeoloog en Tempeliersexpert. In De Sède’s boek Les Templiers sont parmi nous (‘De Tempeliers zijn onder ons’) komt Plantard wel voor, maar het betekent voor hem geen doorbraak in zijn troonpretendenties. Na het lezen van Trésors du Monde van Robert Charroux verlegd Plantard zijn interesse naar Rennes-le-Château.

Samen met De Chérisey fabriceert Plantard behalve zijn stamboom (met gravin De Saint-Clair), ook nog twee andere documenten, die later via De Sède’s boek L’or de Rennes (1967) bekend zouden komen te staan als die documenten die door pastoor Saunière in zijn kerk gevonden zouden zijn. In feite zijn het kopieën van het standaardwerk L’archéologie Chrétienne (‘De christelijke archeologie’) van Dom Cabrol. De fraudeurs voegen er echter gecodeerde boodschappen aan toe over Dagobert, Sigisbert en Plantard. De Sède helpt hen aan de noodzakelijke publiciteit. En dan gaat het mis.

De Britse onderzoeksjournalist Lincoln komt in aanraking met De Sède’s boek en ‘ontcijfert’ de ‘eeuwenoude’ code uit één van de documenten. Lincoln en zijn collega’s geven Plantard en zijn theorieën nog veel meer publiciteit. Plantard helpt ze een handje door samen met De Chérisey nog de Documents Secrets te fingeren en in de Nationale Bibliotheek te droppen. Op zich is het een knappe prestatie van onze twee fraudeurs om aan moderne documenten een odeur van eeuwen te geven. Lincoln cum sui doen echter nog iets anders dan alleen Plantards ideeën publiceren: ze breiden de geschiedenis uit met Jezus, Maria, Katharen, Tempeliers en de hele reutemeteut die in Holy Blood, The Messianic Legacy en De Da Vinci Code terecht zouden komen.

Dan komen de ruzies, eerste tussen De Chérisey en Plantard (over de ‘inkomsten’ van de vervalste documenten), dan tussen Lincoln en De Sède (over het niet uitzenden van een interview met hem), tussen Plantard en De Sède (over de copyrights over de legende; zie later eenzelfde ruzie tussen Dan Brown en Lincoln) en als laatste tussen Plantard en Lincoln (afstammen van Jezus gaat Plantard toch wel te ver). Als Plantard dan de opstandige De Sède inruilt voor de journalist JeanLuc Chaumeil (Le Trésor du Triangle d’Or, ‘De schat van de gouden driehoek’), ruikt een andere, kritische journalist lont. Hij onderzoekt Plantards antecedenten en komt met een vernietigend rapport over al het bedrog.

Hoewel de waarheid dus bekend is, bijt Gérard de Sède nog een keer van zich af door het schrijven van Rennes-le-Château, le dossiers, les imposteurs, les phantasmes, les hypothèse (‘Rennes-le-Château, de dossiers, de bedriegers, de fantasieën, de hypothesen’). Hierin maakt hij Plantard en zijn troonpretendenties zwart. Plantard ziet zich gedwongen ‘af te treden’ als grootmeester van de Priorij van Sion en overlijdt zonder verdere berichten in 2000.

Misintenties

En de rijkdom van de parochiepriester Saunière dan, de rijkdom waarmee dit hoofdstuk en de vele legendes van Rennes-le-Château begonnen? Saunière was een vindingrijk man en had ‘andere’ bronnen van inkomsten. De meeste priesters in die tijd moesten hun karige staatstoelage ‘spekken’ met misintenties. Mensen betaalden de pastoor een zeker bedrag om een mis te laten opdragen (‘lezen’) voor de zielenrust van overleden dierbaren. De r.-k. kerk beleidt tot op de dag van vandaag dat overledenen die in het vagevuur verblijven (het midden tussen hemel en hel; niet eeuwig, wel gruwelijk) kunnen worden ‘gered’ door gebed en missen hier op aarde.

Saunière was erg bedreven in deze edele kunst. Saunière bedelde in heel Europa in tijdschriften en kranten om misintenties. Volgens zijn eigen boekhouding ontving hij op het toppunt van zijn ‘bekendheid’ wel 100 tot 150 misintenties per dag binnen. En natuurlijk behoeft elke intentie een eigen mis, en zelfs Saunière kon geen honderd missen per dag lezen. Misintenties ‘kosten’ in geld natuurlijk niet echt veel, maar het loopt zo wel aardig op. In principe mogen priesters maar drie missen per dag opdragen en de rest moest via de lokale bisschop over minder fortuinlijke collega’s worden verdeeld.

In 1894 zet de pastoor een dikke streep in zijn misintentieboek met de vermelding ‘stop hier’. Hij loopt vijf maanden achter en doet geen moeite meer de onmogelijke achterstand in te halen. De gelden voor misintenties blijven echter binnenstromen. De bisschop van Carcassonne wordt echter snel wantrouwig over de groeiende weelde van een van zijn parochiepriesters. Als Saunière elk antwoord schuldig blijft wordt hij geschorst. Hij gaat in beroep bij het Vaticaan, maar overlijdt op 1917 voor een einduitspraak verkregen is. De kerk houdt niets aan de hele zaak over omdat Saunière – gesteund door het Franse civiele recht – alles vererft aan zijn huishoudster. En zij is buiten de greep van het kerkelijk apparaat.

Rennes-le-Château vormt het decor voor één van de mooiste legendecirkels van het christelijk Westen. Op onnavolgbare wijze worden mensen en groeperingen door de hele geschiedenis heen met elkaar verbonden tot één groot verhaal.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s