Katholieke theologen hebben het niet gemakkelijk. Het speelveld lijkt beperkt. Verschillende krachtvelden trekken aan hen. De academie verlangt van de theoloog vooral dat hij objectief en rationeel te werk gaat: lastig als je voornaamste onderzoeksobject (God) categorisch weigert zich empirisch te laten vangen. De kerk is de tweede kracht die aan theologen trekt. Zij is vooral bezorgd dat de theoloog de gelovige in verwarring brengt door al te radicale ideeën of ketterijen. De laatste kracht is die van onze laatmoderne maatschappij, die veel belangstelling heeft voor mystiek en spiritualiteit, maar die tegelijkertijd niet zit te wachten op zorgvuldige analyse van eeuwenoude geloofsbelijdenissen.

Zijn dit karikaturen? Ik zeker zin wel, dat begrijpt iedereen die wel eens met een serieuze theoloog gesproken heeft. De positie van de Tilburg School of Catholic Theology als onderdeel van Tilburg University laat zien dat er in Nederland nog steeds ruimte is voor academische theologiebeoefening. En bekende theologen, al dan niet gewijd, als mgr. Gerard de Korte, Antoine Bodar, Roderick Vonhögen en Erik Borgman laten de blijvende actualiteit van de katholieke theologie niet alleen zien, maar vinden ook een bereidwillig oor in de samenleving.

Toch is niet alles koek en ei. De kerk kent een lange traditie van theologische opstandelingen, die maar al te vaak veroordeeld werden. Soms werd zo’n veroordeling weer ingetrokken, zoals bij de nu heilige kerkleraar Thomas Aquinas. Soms ook niet, zoals bij de monnik en hervormer Maarten Luther. Soms blijft de spanning ergens in het midden hangen, zoals bij de Nederlandse theoloog Edward Schillebeeckx.

Hoe moet de katholieke theoloog zich positioneren in het spanningsveld tussen kerk, academie en samenleving? Hij is immers ‘lid’ van alle drie.

1. De rol van de katholieke theologie voor de kerk

In 2012 hield de Internationale theologencommissie (ITC) zich uitgebreid bezig met deze problematiek. In een voor haar doen ongekend kritisch document, Theology Today: Perspectives, Principles and Criteria, geeft de commissie haar ‘twaalf artikelen van de katholieke theologie’.

De verhouding tussen theologen en de bisschoppen wordt door de commissie in een relatief vrij omvangrijke sectie van het document behandeld. En dat is niet zonder reden. We kennen allemaal wel voorbeelden van min of meer openlijke conflicten tussen academisch geschoolde (leken)theologen en de verantwoordelijke bisschop. Het zijn vaak pijnlijke conflicten voor alle partijen. De verketterde theoloog voelt zich niet serieus genomen in zijn pogingen de kerk ‘bij de tijd’ te brengen, terwijl de bisschop vaak als de publieke kop van jut wordt beschouwd. Strikt genomen doet hij immers ‘gewoon’ zijn plicht als hoeder van de orthodoxie. De commissie: ‘Onvermijdelijk zijn er spanningen in de relatie tussen theologen en bisschoppen’. Hoe hier uit te komen?

‘Bisschoppen en theologen hebben een verschillende roeping,’ aldus de commissie, ‘die door beide partijen moet worden gerespecteerd.’ Het leergezag mag de theologie niet reduceren tot een afgedwongen lippendienst aan haar uitspraken. Het leergezag heeft de kritische theologen nodig om haar uitspraken niet alleen te funderen in autoriteit, maar ook op theologische argumenten en kritische evaluatie. Er is in de kerk echter geen plaats voor een ‘parallel leergezag’ van theologen, hoewel het stellen van lastige en kritische vragen wel tot de kerntaak van de theologie behoort. Theologen zouden in de theorievorming dan ook de uitspraken van het leergezag niet moeten reduceren tot ‘decoratieve citaatjes’ in de marge. De vaak populaire discussie over een waterscheiding tussen ‘academische’ en ‘confessionele’ theologie is dan ook niet katholiek, omdat het voorbij gaat aan de wederzijdse verhouding tussen bisschoppen en theologen.

Dan arriveert de commissie bij het punt waarover in de media het meest gesproken is, en waarover enkele theologen hun vragen bij hebben gesteld. De bisschop heeft, volgens de commissie het recht en de plicht om in hun ogen ‘foute’ of ‘kwaadaardige’ theologie tegen te spreken of – indien nodig – te censureren. Er ontstaat natuurlijk wel een probleem als de beoordelend bisschop zelf niet tot de wereldwijde gemeenschap van theologen behoort: dan wordt toetsing voor hem zo goed als onmogelijk.

De commissie is niet bang om de eigen rol van de katholieke theoloog in deze tijd breed en stevig aan te zetten. Theologen moeten solidair zijn met elkaar, en consciëntieus en vol trots hun werk verrichten. Ze zijn niet alleen voor elkaar een bemoediging en inspiratie, maar dienen ook als rolmodel, in eerste instantie voor de theologiestudenten, maar daarnaast ook voor de hele gemeenschap van de kerk. Het document noemt hier het ‘theoloog-zijn’ zowel een roeping als een ambt. Deze term is opmerkelijk, omdat het woord ambt eigenlijk gereserveerd is voor het spreken over diakens, priesters en bisschoppen. Waarom de commissie dat doet is niet duidelijk. Wellicht wil zij de positie van de katholieke theoloog tegenover de (altijd gewijde) bisschop verstevigen, zodat er meer sprake is van gelijkwaardigheid in de relatie.

Het Tweede Vaticaans Concilie riep alle gelovigen op de tekenen van de tijd te verstaan (signa temporum perscrutandi). ‘Alle christenen staan voor de uitdaging om de gebeurtenissen en crises van alle dag te interpreteren.’ De theologie kan de gelovigen en het leergezag hierbij van grote dienst zijn om uit te zoeken op welke manier de Geest tot de Kerk en de wereld spreekt. De commissie is niet blind voor enkele momenten in de katholieke geschiedenis waarin de kerk niet in staat was de tekenen van de tijd op tijd te zien en te begrijpen: de Verlichting, de Franse Revolutie, emancipatiebewegingen, democratisering en de ecologische beweging. De kerk was ‘veel te beducht’ voor deze goede ontwikkelingen en ‘negeerde hun belang’ voor de kerk van Christus.

Theologen hebben een dus een duidelijke functie voor de kerk. Ze zijn de kerkelijke ‘avant-garde’. Zij gaan waar nog geen ander ‘kerkmens’ is gegaan, op zoek naar nieuwe inzichten, nieuwe verbintenissen, op zoek naar God waar hij nog niet eerder opgemerkt is. Daarmee dienen de theologen ook een grote vrijheid te krijgen om, binnen de traditie van de rooms-katholieke kerk en in kritisch-loyale verstandhouding met de vertegenwoordigers van het instituut dat daarbij hoort, op zoek te gaan naar de grenzen van de catholica, en zelfs – indien nodig – daar overheen te gaan.\

2. De rol van de katholieke theologie voor de wetenschap

Sommige neurowetenschappers als Dick Swaab menen dat de mens ‘slechts’ zijn brein is. Allerlei processen waarvan we geneigd zijn ze op het niveau van de geest of zelfs de ziel te plaatsen, zijn voor Swaab en zijn geestverwanten niets meer dan fysiologisch-chemische processen in het brein. Als opschrift voor zijn boek We zijn ons brein (2010) koos Swaab voor de uitspraak ‘We hebben geen brein, wij zijn ons brein’. Hiermee behoort Swaab tot de school van het zogenaamde ‘materialistisch reductionisme’. Oorspronkelijk was het reductionisme een methodische kwestie: natuurwetenschappers beperkten zich tot het doen van uitspraken tot datgene wat waarneembaar is. Volgens de systematisch theoloog Harm Goris ‘werd die methodische terreinafbakening vervolgens een wetenschapstheoretisch criterium voor zinvolle kennis: meten is weten én omgekeerd. Wat niet meetbaar is, is dus onkenbaar.’ (VolZin 7, 2009) Ten slotte wordt het reductionisme tot een metafysische in plaats van een louter methodologisch of wetenschapsfilosofisch criterium: ‘wat niet empirisch waarneembaar is, bestaat niet.’ Goris: ‘Zo’n stellingname kan alleen met filosofische argumenten verdedigd worden en niet met natuurwetenschappelijke, empirische argumenten.’

Een denker die dat mechanisme feilloos en meedogenloos heeft blootgelegd is de katholieke cabaretier Herman Finkers. In zijn show Na de pauze (2009). Daarin vertelt hij dat hij op zijn katholieke school altijd werd volgestopt met ‘dogma’s’: ‘één en één is altijd twee, en een boom is slechts een zuurstoffabriek.’ Finkers haat het platte reductionisme, dat alle poëzie doodt. Pas toen er een kapelaan op zijn school kwam, begon hij weer adem te krijgen. De kapelaan vertelde over ‘1=3’ (de triniteit) en over de Boom van Goed en Kwaad, en die van Eeuwig Leven. ‘De kapelaan barstte van de verhalen met Ruimte. Zo zei hij: “God is het begin van alles… Voor God was er niets… En Maria is zijn moeder!”’ Geconfronteerd met een metafysisch reductionist legt Finkers zijn ziel bloot. Hij zingt: ‘De veertigste van Mozart en de liedjes van Jacques Brel / zijn ook ooit verzonnen. Toch bestaan ze wel. / Iets kan zijn verzonnen en daardoor juist bestaan. / Dat soms iets niet verzonnen is, neemt men zomaar aan.’

De katholieke theoloog kan de wetenschap behoeden voor een zekere blindheid voor de relativiteit van het eigen, dominante, empirische paradigma. Er is meer kennis te bestuderen dan louter hetgeen empirisch verifieerbaar dan wel falsificeerbaar is.

3. De rol van de katholieke theologie voor de maatschappij

De rol van de katholieke theoloog is misschien voor de maatschappij nog wel van het allergrootste belang. In zijn boek What Make Us Catholic (2002) geeft theoloog Thomas H. Groome acht kenmerken van het katholieke denken. Van sommige punten kan een kritische lezer zich afvragen of dit ‘typisch katholiek’ is of eigen aan iedereen ‘van goede wil’, zoals ‘commitment to justice’ en ‘positive understanding of the person’. Van andere punten kan je je afvragen of ze de rooms-katholieke kerk goed doen of slechts stereotyperingen bevestigen, zoals ‘universal spirituality’ en ‘devotion to Mary’. De overige zijn echter zeer bruikbaar als onderscheidende kenmerken van ‘katholiciteit’.

Volgens Groome behoort tot de kern van het katholieke denken het begrip ‘sacramentaliteit’. Dit begrip moet niet verengd worden tot de zeven of twee traditionele sacramenten uit de respectievelijk rooms-katholieke en protestantse traditie, maar tot een zeer basale manier om naar de werkelijkheid te kijken. Een ‘sacramental outlook’ (Groome) betekent dat de werkelijkheid als eerste en ten principale wordt beschouwd als een geschapen realiteit, die in al haar veelzijdigheid getuigt van haar Schepper.

Natuurlijk kan de schepping niet beschouwd worden als een ‘bewijs’ voor een Schepper. Dat zou een zeer ongezonde revitalisatie van een verkeerd soort natuurlijke theologie zijn. Maar als de schepping als schepping beschouwd wordt (en alleen dan) verwijst ze naar haar Schepper. Een dergelijke manier van kijken naar de realiteit legt de nadruk op ‘ontvangen’ (genade) in plaats van ‘nemen’. Het voorkomt dat de menselijke, individuele inspanning alleen afhangt van die ene mens. Psyche noch politiek zijn tegen een dergelijke last bestand. De idee van maakbaarheid, zo dominant in onze laatmoderne cultuur, bijt in haar eigen staart: ze legt onmenselijke druk op het individu uit naam van datzelfde individu.

Een sacramenteel wereldbeeld voorkomen dat een gelovige – een katholiek in Groome’s geval –volhardt in een dualistisch denken van hemel versus aarde, God versus mens, kerk versus wereld. De kerk is geen vrijplaats van geloof en heiligheid. En gelovigen hoeven God niet naar de wereld te brengen. God is daar immers al lang aanwezig: in de schepping van Zijn handen en in de mensen die overal op aarde wonen en leven. Ook zij zijn immers geschapen naar Zijn beeld en gelijkenis.

Onze maatschappij is geen christelijke meer in de zin dat het geloof elk onderdeel van onze cultuur doorademt. Tegelijkertijd is onze cultuur het product van een eeuwenlange dialoog met het christendom, en kan daarom nooit los daarvan beschouwd worden. Bovendien is God werkzaam in heel de werkelijkheid, ook buiten de officiële kerken en ook buiten de grenzen van het christendom. De Duitse gereformeerde theoloog Jürgen Moltmann (1926) noemt dit het begrijpen van de ‘impliciete theologie’ van onze moderne wereld, om – zo voegt hij er waarschuwend aan toe – zowel de vitaliteit als de defecten van onze cultuur te herkennen. Geen blind cultuurpessimisme, maar ook niet een even blind – optimisme. Theologen moeten niet bang zijn de tabernakels van onze tijd aan te wijzen, daar woont God immers. Maar theologen moeten ook niet bang zijn de gouden kalveren van onze tijd aan te wijzen, want daar woont Hij zeker niet.

Een interessante positie in deze hele discussie neemt de lutherse theoloog Paul Tillich (1886 – 1965) in. In de verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog hervond hij zijn wankelende geloof in het bekijken van reproducties van klassieke kunstwerken. Het stimuleerde hem om onderscheid te maken tussen twee soorten van ‘religie’. De ‘theologie van de kerk’ bestaat uit het interpreteren van materialen die men aantreft in de expliciet religieuze sfeer van heilige schriften, doctrines en liturgische symbolen en rituelen. De ‘theologie van de cultuur’ bestaat echter uit het zoeken naar de ‘religieuze substantie’ in de niet expliciet religieuze moderne cultuur.

In het eerste deel van zijn Systematic Theology (1951) stelt Tillich dat zelfs afbeeldingen, gedichten en muziek objecten van theologie kunnen worden, omdat ze de macht hebben bepaalde aspecten van onze ultimate concern uit te drukken. Het begrip ultimate concern is een van de kernwoorden van Tillichs theologie en niet gemakkelijk in het Nederlands te vertalen: ‘uiteindelijk belang’ is wellicht een optie. Voor Tillich betekent dit ‘ultieme belang’ datgene (of diegene) voor wat (of wie) iemand bereid is al het andere op te geven: een geliefde, een ideaal, een passie, enzovoorts. Volgens Tillich is de werkelijke ultimate concern niets anders dan God zelf, al het andere is afgoderij (zoals Augustinus hem lang geleden al voorzei). En waar een culturele uiting iets van deze ultimate concern belichaamt, is zij het natuurlijke object van de theologie.

In die zin zijn alle theologen ‘theologen van de cultuur’, zoals het Vaticaanse document aan het begin van deze lezing al opmerkte. Zij doorzien de werkelijkheid niet alleen als getuigenis gevend van haar Schepper, maar tevens als een voordurende narratieve hermeneutiek tussen ‘kerk’ en ‘wereld’, tussen ideaal en praktijk.

Bron: Deze lezing is uitgesproken tijdens de jaarvergadering van de VAK (alumni-vereniging van de Tilburg School of Catholic Theology) op 29-11-13.