Nu wij als Tilburg School of Catholic Theology zijn verhuisd van de betonnen jungle van de Uithof naar de sfeervolle Utrechtse binnenstad, wordt onze voordeur voortdurend in de gaten gehouden voor een legertje vrijwilligers. Meestal lopen ze door weer en wind over de Nieuwegracht, waar onze twee panden aan gevestigd zijn. Soms bellen ze schuchter aan en vragen met de pet in de hand of ze even naar het toilet mogen. Een kleine gift voor een dergelijke onverdeelde aandacht. Soms maken ze een praatje met mij als ik samen met collega’s voor de deur sta. Ze weten heel goed dat wij de theologen zijn en dat dit iets met God te maken heeft. Ze vragen ons daarom vaak en graag in Gods naam of ze een plukje shag mogen hebben. Wederom beschouw ik dit als een kleine gift in ruil voor hun onverdeelde aandacht.

Als ik langs hun huiskamer loop, direct in de steeg naast ons pand op nummer 61, een beetje somber huis dat door sommigen met weinig gevoel voor proporties en poëzie wel ‘de opvang’ wordt genoemd, dan wordt ik vaak aangesproken door een donkere man met wild, rechtopstaand haar en die de enige tand die hij nog bezit prominent naar voren laat steken. Met wilde ogen, die teveel hebben gezien, vraagt hij om een vrijwillige bijdrage voor een dakloze. Let op het woord ‘vrijwillige’. Op geen enkele wijze wil hij mij de indruk geven dat hetgeen ik hem natuurlijk ga geven, niet vanuit barmhartigheid zal worden overhandigd, maar vanuit het idee dat hiermee de kosmische balans een weinig weer in evenwicht zal worden gebracht.

Ik geef hem altijd wat, net als zijn collega-vrijwilligers die om niet de straten van Utrecht in de gaten houden. Natuurlijk geef ik niet genoeg: één, misschien twee euro. Dat is natuurlijk nooit genoeg. Dat weet ik. En dat weet hij. Maar hij is zo vriendelijk mij daarmee nooit te beschamen. Dit betekent natuurlijk niet dat hij niet creatief kan zijn in deze zaken. Toen ik hem een keer niets kon geven – omdat mijn beurs echt leeg was, stelde hij voor om samen met hem wat te gaan pinnen. Hij kon zich niet voorstellen dat ik zonder ‘plastic’ op weg zou zijn gegaan. En daar had hij natuurlijk gelijk in. Ik moet bekennen dat ik mij er met een smoesje vanaf gemaakt hebt, hetgeen mij nog steeds dwars zit. U moet deze episode nu op dit moment dan ook maar beschouwen als een soort publieke biecht. Vergeef mij, Heer, want ik heb gezondigd. Ik weet wel dat wat ik voor de minsten van Christus’ lievelingen gedaan heb, ik voor Hemzelf gedaan hebt. Maar de geur die deze Christussen omgeeft op en rond de grachten maken het niet makkelijk om je christenplicht te doen.

Op een keer kwam ik hem weer tegen. Wederom had ik geen cashgeld bij hen. Hij staarde mij doordringend aan, zoals de heiland placht te doen aan het einde der tijden. En vroeg mij of ik echt niets had. Omdat ik op dat moment een croissant at, die ik enkele minuten eerder bij het uitstekende bakkertje op de Nieuwegracht had aangeschaft, scheurde ik die in tweeën en gaf hem de helft. Ik denk nog steeds dat hij liever geld had gehad. Maar goed, zo gaat dat in het leven. Hij zei nog: Allah zal je belonen. En ik bedacht dat het wel het toppunt van ironie was dat deze moslim mij dankte voor een lekkernij die voor het eerst gebakken werd om te vieren dat de Ottomanen de stad Wenen niet hadden kunnen innemen.

1. Martinus van Tours: eerlijk delen

Zonder mij met deze grote heilige te vergelijken, moest ik later toen mijn croissant op was, toch even denken aan de grote heilige Martinus van Tours, in wiens naam wij vandaag hier bijeen zijn. Sintemaarten, zoals wij hem in den Nederlanden van oudsher kennen, leefde van 316 tot 397 in het Gallische Tours. Op 15 jarige leeftijd trok de van oorsprong Hongaarse Maarten in dienst van het Romeinse leger naar het huidige Frankrijk. Volgens de legende die deze heilige wereldberoemd zou maken, kwam Maarten op een goede dag een bedelaar tegen, gezeten bij de stadspoort. De bedelaar was slecht gekleed. Maarten herinnerde zich het verhaal van Jezus, die tegen zijn vrienden zei: ‘Ik was naakt en jij hebt mij gekleed’.

Instinctief getroffen door het idee dat dit hoopje mens best wel een Jezus zelf zou kunnen zijn, zich klaarmakend door zijn wederkomst, een idee dat in de Benedictijnse gastvrijheid nog steeds een grote rol speelt, sneed hij zijn mantel in tweeën. De ene helft hield Martinus zelf, de andere helft gaf hij weg. Volgens sommige critici zou Martinus slechts de helft van zijn mantel gegeven hebben, omdat volgens het Romeins recht de andere helft aan Rome zou toebehoren. En wat je niet bezit, kan je ook niet uitgeven. Misschien dat sommige bankiers de legende van Maarten eens zouden moeten lezen, alvorens ze aan de slag gaan met rijkdommen die niet door hen bij elkaar zijn geschraapt. Ikzelf denk overigens dat Maarten heel pragmatisch de tweede helft van zijn mantel zelf hield, omdat hij het anders zelf koud zou hebben ’s nachts. Wie al zijn rijkdom aan de bedelaar geeft, en daarmee zelf aan de bedelstaf geraakt, heeft weliswaar één mens gelukkig gemaakt, maar de samenleving als collectief geen dienst bewezen. Armoede is een schandvlek die moet worden uitgeroeid in elke beschaafde samenleving. Armoede moet niet rondgaan, van hand tot hand, als ware het een geschenk van de duivel zelf.

Ik heb niet kunnen achterhalen of Maarten zijn mantel deelde omdat de bedelaar om een aalmoes vroeg. Misschien zat de bedelaar maar een beetje voor zich uit te suffen. Ik ga echter wel van het eerste uit, omdat bedelaars over het algemeen heel goed bedreven zijn in het vestigen van de algemene aandacht op hun eigen situatie. Hij ledigde de hulp van een hulpbehoevende, omdat hij Christus zelf in de bedelaar herkende. Hij nam ontslag uit het leger, bekeerde zich tot het christendom, werd door de bewoners van Tours tot bisschop gekozen – wat een geweldig idee overigens, om bisschoppen in de rooms-katholieke kerk te gaan kiezen – en leefde een zo heilig leven dat zijn heiligverklaring niet lang op zich liet wachten.

2. Sint Nicolaas van Myra: anonieme gever

Maarten is natuurlijk niet de enige heilige met een reputatie van vrijgevigheid. In dezelfde tijd dat Nederland in de ban is van de feestelijkheden rond Sint Maarten, maken velen zich al op voor de komst van die andere heilige. Je hoort Maarten bijna zeggen: wie na mij komt, is groter dan ik. En ik ben niet waard de riem van zijn sandalen vast te maken. Sint Nicolaas, want daar hebben we het natuurlijk over, zou het nooit toelaten dat een medebisschop hem de schoenen zou aanschuiven. Voor dit soort schoenenklusjes heeft Nicolaas zo zijn eigen knechten. Of eigenlijk dienaren. Of nee, medewerkers. Compagnons is beter. Ik wil niet gaan zwartepieten, maar we moeten in dit land echt onze discussieprioriteiten tegen het licht houden. Ik vind het leger vrijwilligers op de stoep van ons pand een grotere belediging voor de zogenaamde beschaafdheid van ons Westers land, dan een paar rondhopsende, zwartgeschminkte clowns.

Sint Nicolaas leefde van 280 tot 342 in het huidige Turkije. Die sterfdatum is omstreden. Sommige critici claimen dat 352 het sterfjaar van Sint Nicolaas was. Maar iedere Nederlander weet dat deze critici fout zitten. Sinterklaas is tijdloos. En elk jaar komt hij mijn pieten naar Nederland om vreugde en blijdschap te verspreiden in de donkere dagen. Het echt licht in de duisternis wordt natuurlijk op 25 december gevierd, als het licht het definitief wint van het duister. Maar omdat die periode voor ons mensen zo lang is, komt Sinterklaas als natuurlijke verbintenis tussen Maarten en het Kerstkind. Laten we in al het geweld over gastarbeiders, immigranten, buitenlanders, enzovoorts niet vergeten, dat we elk jaar rond 5 december ons collectief aan de voeten van een Turk werpen. Een katholieke Turk, dat dan weer wel. Maar toch…

De zwarte pieten zijn beroemd en berucht vanwege de peternoten die zij overal rondstrooien. Op de basisschool waar ik enige jaren mocht vertoeven waren de pepernoten bijzonder geliefd bij mijn klasgenoten. Niet om op te eten, maar om elkaar mee te bekogelen. En zo’n pepernootje komt, mits goed gemikt en zuiver geschoten, verdomd veel zeer kan doen. Volgens de Legenda Aurea van Jacobus de Voragine (1228-1298), aartsbisschop van Genua, strooide Sint Nicolaas niet met pepernoten, maar met goudstukken. Een arme man had namelijk drie dochters. En voor elk van de dochters moest hij een goede bruidschat beschikbaar stellen. Vrouwen kosten namelijk alleen maar geld, aldus de mening in die tijd, en om ze kwijt te raken moet je wel diep in de buidel passen. Misschien moeten de moord en brand roepende feministen eens nadenken over de enorme vooruitgang die geboekt is, sinds die tijd. Tegenwoordig moet je als man geld meenemen om een mooie vrouw te verschalken. De omgekeerde wereld. En dat is ook maar goed ook. Een goede vrouw is immers onbetaalbaar. En ik kan het weten. Want ik heb er zo een.

De arme man had dus drie dochters. Vanwege zijn armoede was hij bang dat zijn dochters geen goede man zouden kunnen vinden. Echter, drie avonden achter elkaar, gooide een gehandschoende hand een buidel goudstukken naar binnen, door het open raam. Toevalligerwijs kwamen ze in de schoenen terecht van de man en zijn dochters die voor het smeulende haardvuur lagen te drogen. Toen de wereld in meer beschaafde tijden arriveerden en niemand zich het probleem van de arme man meer kon indenken, werden de goudstukken al snel sinasappelen of mandarijnen. Daarom denken veel mensen dat Sinterklaas uit Spanje komt, in plaats van Turkije. De sint in al zijn wijsheid laat het er graag bij. Zo is hij wel.

3. Maimonides: geven en geven is twee

De arme man zal best de goede God gebeden hebben om hulp voor zijn drie dochters, maar hij zal vast Nicolaas niet hebben aangeklampt. Hij ontving dus zonder te vragen. En zonder te weten wie de goede gever was die hem de drie geldbuidels had bezorgd. De bedelaar van Maarten heeft wellicht wel om een aalmoes gevraagd. Maarten gaf zijn halve mantel. Nicolaas was ongetwijfeld zo rijk dat hij die drie buidels geld niet hoefde te missen. Maar aan de andere kant, hoefde de arme man zijn weldoener niet in de ogen te kijken en behield hij zo een deel van zijn waardigheid. Maartens bedelaar zag zijn weldoener wel in de ogen. Het ene geven is kennelijk het andere geven niet. Die halve croissant van mij aan ons vrijwilligersleger op de Nieuwegracht, de mantel van Maarten, de geldbuidels van Nicolaas, Giro 555, de Vastenactie, ontwikkelingssamenwerking, belastingen. We geven wat af, elke dag, vaak zonder er al te veel over na te denken. Maar is het ene geven niet beter dan het andere geven? Is er geen rangorde in aan te brengen?

Tijdens de overgang van de 12e naar de 13e eeuw stelde een van de meest briljante Joodse filosofen, Maimonides, een rangorde op van de acht graden van vrijgevigheid: de ene net iets meer verheven dan de ander. Maimonides aka rabbi Mosjé ben Maimon aka RaMBaM, leefde van 1135 tot 1204. En in zijn commentaar op de Torah, de vijf heilige boeken van wat wij het Oude Testament noemen, schreef hij het 10e hoofdstuk van het 8e boek de volgende graden op. Rambam begon bij de beste graad en daalde vervolgens af naar de laagste. Omwille van de spanning die in dergelijke lezingen als die ik vandaag hou moeilijk vast te houden is, begin ik echter met de laagste en werk zo op naar de hoogste graad. Met dank aan collega Marcel Poorthuis die mij in zijn artikel in de bundel Vrienden worden met de mammon mij op Maimonides’ gradaties attendeerde.

8e graad. Geven tegen heug en meug

De laagste graad van geven is die waarbij iemand geeft met pijn en moeite.

De laagste graad is geven tegen heug en meug. Je geeft iets aan een ander, maar met een lang gezicht. Je geeft weliswaar wat, maar het is te weinig. En behalve dat je te weinig geeft, geef je duidelijk aan dat je eigenlijk helemaal niet wilt geven. Daarmee beledig je de ontvanger eigenlijk nog meer dan helemaal niets te geven. De sociale conventies vereisen een geschenk, bijvoorbeeld aan die ‘lastige’ zwever op straat, maar ook aan dat ene familielid waar je een bloedhekel aan hebt. Tien minuten voor je op de verplichte verjaardagsvisite gaat, onderhandel je met je partner over de absolute doch sociaal nog net geaccepteerde ondergrens van de waarde van het cadeau. Het geschenk wordt aangenomen, maar de ontvanger weet feilloos de psychologie achter het geschenk te ontcijferen. Dit is wat ik waard ben, en dat is net iets meer dan helemaal niet. Schenker en gever zien elkaar in de ogen, maar de hiërarchische verhouding is glashelder: de gever is superieur, de ontvanger inferieur. Het zijn de kruimels die van de tafel van de kinderen vallen, genadebrood, gegeven van een overvloed die zo’n geschenk niet voelen kan. Het is een geschenk dat eigenlijk geen geschenk is, maar er alleen naar kijkt. Het is een geschenk dat niet geschonken zou mogen worden.

7e graad. Geven met een blij gezicht, maar te weinig

De op een na laagste graad betreft degene die minder geeft dan passend is, maar geeft met een opgewekt gezicht

De een na laatste graad van het geven, aldus Maimonides, lijkt veel op de laagste. Je geeft namelijk nog steeds te weinig, maar met een opgewekt gezicht. Het geschenk of de aalmoes is nog steeds te klein om in materiële zin serieus genomen te kunnen worden. Maar de schande voor de ontvanger is iets minder groot: je doet als ontvanger namelijk alsof je het fijn vindt om hem iets te geven. Voor het legertje vrijwilligers op de Nieuwegracht maakt het gevoelsmatig enorm uit of je die ene euro met een glimlach geeft om met een afgewende blik die communiceert: ik wil zo snel mogelijk van je weg, en deze roteuro is het bloedgeld waarmee ik mijn schuldige gevoel afkoop. Zowel gever als ontvanger weten dat de gave te klein is, maar de ontvanger kan tenminste naar de buitenwacht het tegendeel hooghouden.

6e graad. Geven nadat er om is gevraagd

De daarop volgende, zesde graad betreft datgene die pas geeft als de arme persoon erom vraagt.

Volgens de legende geeft de heilige Maarten de helft van zijn mantel aan de bedelaar bij de stadspoort. Zoals eerder gezegd, lijkt het me niet onlogisch om aan te nemen dat de bedelaar wel om iets gevraagd heeft. Want: dat doen bedelaars nu eenmaal. Maartens gave hoort daarmee in de twee na laagste graad van Maimonides: geven nadat er om gevraagd is. Maimonides suggereert door de opbouw van zijn acht graden dat de grootte van de gave of van het geschenk nu niet meer relevant is, zoals in de 7e en de 8e nog wel het geval was. Maarten gaf dan ook genoeg: de bedelaar kon zich beschermen tegen de elementen. Het ‘probleem’ aldus Maimonides, en nu doe ik Maarten natuurlijk te kort, is het reactief karakter van de gave. Eerst moet er om hulp gevraagd worden, pas dan wordt er gegeven. Net als bij de 7e en de 8e graad kijken gever en ontvanger elkaar in de ogen. En hoewel de gave nu afdoende is en de gave met een blij gezicht wordt overhandigd, manoeuvreert deze manier van caritas de vragende partij in de underdog positie. Het accentueert de grootheid en de goedheid van de gever, en de afhankelijkheid van de ontvanger. Het impliceert iets van hulpeloosheid, alsof de ontvanger het alleen niet af kan. Zoals onze onderbuik feilloos aangeeft, moet de ontvanger iets van ‘eergevoel’ inslikken om hulp te vragen.

5e graad. Geven zonder dat er om is gevraagd

De vijfde graad betreft degene die in de gift in handen van de arme deponeert voordat deze er om vraagt.

Veel beter is het dan ook, aldus Maimonides, om te geven nog voor er om gevraagd is. Wederom kennen gever en ontvanger elkaar, wordt er blijmoedig gegeven en ook nog in voldoende mate. Het eergevoel van de ontvanger wordt geheel en al in tact gelaten: hij hoeft immers zijn behoeftigheid niet te expliceren. De ontvanger heeft de subtiele, impliciete signalen opgevangen en handelt direct naar bevind van zaken. In de 5e graad van caritas horen die mensen thuis die je altijd net een stap voor lijken te zijn: ze geven je datgene waar je behoefte aan hebt, net voor het moment waarop het tot je doordringt wat je eigenlijk nodig hebt. Het lijkt de perfecte manier van geven. Toch is het ‘slechts’ de 5e graad van Maimonides.

4e graad. De gever geeft zonder de ontvanger te kennen

Bij de vierde graad van geven weet de arme van wie hij neemt, maar weet de gever niet aan wie hij geeft.

Het springende punt tussen de graden 5 tot en met 8 en de graden 2 tot en met 4 is de mate waarin gever en ontvanger elkaar kennen. Maimonides, die leefde in een cultuur waarin eer en schande als zeer grote sociale problemen werden gezien, is zeer gevoelig voor dit onderdeel. De 4e graad van geven behelst dat de gever de ontvanger niet kent. We kunnen ons dat moeilijk voorstellen hoe dat praktiscgh zou moeten gaan. Maimonides zelf legt uit:

Zo waren er grote wijzen die munten in een doek op hun rug hingen, zodat de Armen zichzelf konden helpen zonder zich te schamen.

Poorthuis probeert het intrigerende beeld naar het heden te plaatsen. ‘Stel je voor dat je met je rugzak half open per tram reist. Die rugzak kan worden geleegd, zonder dat je dat wilt. In dit verhaal is het echter juist de bedoeling dat de doek geleegd wordt om de anonimiteit van de ontvanger te waarborgen’. De ontvanger hoeft zich daarom niet te schamen dat hij gebruik maakt van de goedgevigheid van de weldoener. De wederzijdse kennis van de eerste vier graden wordt hier doorbroken. Eén van beide partijen kent de ander niet. Daarmee wordt steeds een hogere vorm van anonimiteit gerealiseerd.

3e graad. De gever geeft zonder dat de ontvanger weet van wie hij krijgt

De derde graad houdt in dat de gever weet aan wie hij geeft, terwijl de arme niet weet van wie hij ontvangt.

De anonimiteit van de 4e graad is terug, maar wordt nu omgedraaid. Het is nu de gever die zijn anonimiteit koestert, in plaats van de ontvanger. Hiermee wordt voorkomen dat er enige emotionele druk op de gever kan worden uitgeoefend, zelfs als die zelf opgelegd is, om hem terug te betalen. De ontvanger kan de gever niet terugbetalen, niet eens bedanken, omdat hij niet weet van wie hij heeft gekregen. De gever kan zich wel verheugen in het feit dat hij iets goeds gedaan heeft, maar hij kan er niet op roemen, omdat dit zijn anonimiteit in gevaar zou kunnen brengen. ‘Laat uw linkerhand niet weten wat uw rechter doet’, gebiedt Jezus, ‘opdat uw aalmoes in het verborgene blijve.’ (Mt 6,3-4) Misschien dat Sint Nicolaas in deze categorie zou kunnen vallen. Maimonides voegt dan ook toe:

Grote wijzen gingen in het geheim op pad en gooiden munten in de deuropening van de armen.

Maimonides geeft hier een vrij exacte (maar natuurlijk ongewilde) beschrijving van de legende van Nicolaas en de gouden munten die hij naar binnen gooide bij de arme man. Er zijn echter nog veel hogere vormen van liefdadigheid.

2e graad. De gever geeft zonder de ontvanger te kennen, de ontvanger weet niet van wie hij ontvangt

De een na hoogste graad bereikt degene die een aalmoes geeft aan de arme zo dat hij niet weet aan wie hij geeft en dat de ontvanger niet weet van wie hij heeft ontvangen.

De anonimiteit die eerste aan de kant van de ontvanger lag bij de 4e graad, en daarna aan de kant van de gever bij de 3e graad, wordt hier in de 2e graad eerlijk gedeeld. De ontvanger weet niet van wie hij heeft gekregen, dus behalve dat hij zich niet heeft hoeven vernederen om om een gave te vragen, kan hij ook niet de morele druk voelen iets terug te doen. De gever weet ook niet aan wie hij heeft gegeven, waardoor hij zichzelf niet op de borst kan kloppen, noch ooit in een vlaag van egoïsme zichzelf bekend kan maken om alsnog de dankbaarheid van de ontvanger te ontvangen. De gave is totaal losgezongen van de individualiteit van gever en ontvanger, en lijkt daarmee nog het meeste op de geïnstitutionaliseerde vorm van liefdadigheid die wij in het Westen kennen en die bij ons bekend staat als ‘verzorgingsstaat’ met zijn fijnmazig stelsel van sociale voorzieningen en uitkeringen. De belastingsbetaler weet niet aan welke behoeftigen zijn belastinggeld wordt gegeven, en de uitkeringstrekker weet niet aan wie het geld dat hij uitgekeerd krijgt, eerder heeft toebehoord. Het enige nadeel in deze één na hoogste vorm van caritas is dat gever en ontvanger elkaar niet meer hoeven aan te zien: het is ook onpersoonlijk en het kan lijken op een ‘goedkoop’ afkopen van de eigen verantwoordelijkheid om ook daadwerkelijk naar de ander om te kijken. Uiteindelijk leidt de geïnstitutionaliseerde vorm er toe dat de ontvangers deze vorm van caritas louter in termen van ‘recht’ beschouwen en de gever louter denken in termen van ‘verplichting’. Nu zijn beide termen niet onwaar, maar ze versmallen de basis van de geïnstitutionaliseerde caritas tot rechten en plichten in plaats van deugden en deugdzaamheid.

1e graad. De gever gaat een langdurige, gevende verbintenis aan met de ontvanger

De hoogste graad van geven, waar niets boven gaat, beoefent degene die daadwerkelijk een medemens sterkt door hem te helpen met een gift of een lening of door met hem een partnerschap aan te gaan, of door hem te helpen werk te vinden, kortom hem zo te steunen dat hij de andere mensen niet meer hoeft te vragen.

De anonimiteit die in de 4e tot en met de 2e graad zorgvuldig is opgebouwd, is in deze eerste graad weer geheel verdwenen. Net als in de lagere graden staan gever en ontvanger tegenover elkaar. Ze zien elkaar in de ogen. De ongelijke verdeling tussen beiden, die de oorzaak was van het gevoel van superioriteit bij de gever en van underdog bij de ontvanger, is namelijk opgeheven. De gever gaat een verbond aan met de ontvanger, een partnerschap, waarbij beide partijen van elkaar hopen te profiteren. Ze worden er beiden sterker van. De noodzaak tot anonimiteit is dus verdwenen. De gever en ontvanger gaan op basis van een zo goed als gelijkwaardige positie een verbond met elkaar aan. Niemand hoeft zich te schamen, niemand hoeft zich beter te voelen dan de ander. De grootte van de gift, waarop in de eerdere graden nog de nadruk werd gelegd, is bijna vanzelfsprekend genoeg, evenals het genoegen waarmee de gave wordt gegeven. Wie een verbond met een ander aangaat, doet noch hemzelf noch degene met wie hij het verbond sluit, te kort. De vraag of het initiatief van de gever of van de ontvanger uitgaat, is ook niet meer relevant, omdat er geen (of bijna geen) sprake meer is van een ongelijke positie. Het initiatief is daarmee ‘vrijgesteld’.

Deze wijze van caritas, die misschien bijna voor ons gevoel deze term niet meer ‘verdient’, is in onze verregaand geïnstitutionaliseerde samenleving nog steeds heel goed en concreet mogelijk. Denk aan allerlei vormen van microkrediet waarbij de (Westers) gever een klein bedrag rechtstreeks leent aan een materieel minder bedeelde medemens elders in de wereld. Het contact is één-op-één: gever en ontvanger kennen elkaar, al is het maar op virtuele wijze. Er is geen sprake van een gift in de ‘strikte’ zin van het woord: het gaat immers om een lening waarmee de arme een eigen bedrijf kan opzetten. Hiermee wordt voorkomen dat ooit weer om een aalmoes moet worden gevraagd. De gever stelt de ontvanger immers in de gelegenheid tot dezelfde zelfstandigheid te groeien als de ontvanger. En ook de ontvanger wordt er niet minder van: het is immers een lening, die met ‘zachte’ intrest wordt terugbetaald.

Gever en ontvanger komen op dezelfde hoogte, het standsverschil wordt verkleind of zelfs weggewerkt. Niemand hoeft zijn gezicht te verliezen, niemand hoeft zich de underdog te voelen. De arme hoeft nooit meer om vissen te vragen om zijn honger te stillen, want hij heeft nu de hengel om zijn eigen vissen te vangen. De mantel van Maarten beschermde de bedelaar tegen de kou en de elementen: hij hoefde nooit meer te bedelen om ergens onder een afdakje te mogen slapen. En Nicolaas zorgde ervoor dat de arme man zich nooit meer zorgen hoefde te maken over zijn dochters. Hoewel….het blijven dochters natuurlijk. En ik heb er zelf één, dus…. Maar Maarten en Nicolaas gingen geen bondgenootschap met hun armen aan. Niet dat ze daarom minder gedaan hebben, maar het ideaal van Maimonides ligt hoger. Een ideaal van bondgenootschap. Een ideaal van een verbond tussen twee mensen. Geven en geven is namelijk twee.