Op internet is het een grote hype: de jonge evangelical Jefferson Bethke rapt over zijn bekering, zijn haat voor religie en zijn liefde voor Jezus. Zijn bijna professionele videoclip Why I Hate Religion But Love Jesus is al bijna 9 miljoen keer bekeken en al bijna 1 miljoen mensen hebben de moeite genomen om op youtube te reageren. Volgens Bethke zelf gaat zijn ‘gedicht’ (zoals hij het zelf noemt) over het verschil tussen “Jezus en de valse religie”. Wie echter denkt dat deze protestant met zijn term ‘valse religie’ beschuldigend naar de katholieke kerk wijst, heeft het mis. “Religie snapt niet dat zij niet meer is dan parfumspuiten op een kaskas.” Alle religie moet het ontgelden.

Vanwege het waanzinnige succes van Bethke is het interessant om zijn theologische boodschap wat nader te analyseren. Onze jonge artiest begint met de (Amerikaanse) actualiteit. “Wist je dat Republikeins stemmen niet automatisch bekent dat je christen bent?” Bethke bekritiseert de monopolisering van de christelijke stem door de Republikeinen. “Het roepen dat andere mensen blind zijn, geeft je niet gelijk een eigen visie.”

Religiekritiek

Dan maakt Bethke een wat vreemde overgang naar zijn religiekritiek. Hij gooit er een paar retorische vragen tegenaan “Als religie zo groots is, waarom heeft zij dan zoveel oorlogen gestart? En waarom bouwt zij grote kerken, maar slaagt ze er niet in de armen te voeden. En waarom vertelt zij ongehuwde moeders dat God niet van hen houdt?” Op zich is deze kritiek bekend en begrijpelijk. Er zijn afschuwelijke oorlogen gevoerd omwille van het geloof in de ene, ware God. En de rijkdom van veel kerken staat vaak in schril contrast met hun beleden interesse en liefde voor de armen. Vaak is de leer belangrijker dan de barmhartigheid.

Rijkdom

Tegelijkertijd zijn Bethke’s argumenten wel wat sleets: God was niet de enige oorzaak van verschrikkelijke oorlogen en conflicten in de wereldgeschiedenis. En wie moppert op de rijkdom van kerken vergeet vaak maar al te gewillig de honderdduizenden ziekenhuizen, klinieken en tehuizen die zijn opgericht vanuit de één of andere kerk. Diaconie hoort van oudsher bij de (christelijke) kerken, en die enorme inzet verdient het niet verduisterd te worden. Bovendien is veel rijkdom van (voornamelijk de rooms-katholieke) kerk zogenaamd ‘dood kapitaal’. Natuurlijk al die kerken en kunstschatten zijn miljarden en miljarden euro’s waard, maar er is op de vrije markt geen koper voor te vinden. De kerken kosten alleen maar geld aan onderhoud en restauratie, en de kunstschatten van het Vaticaan zijn eerder museumstukken dan transporteerbare goudstaafjes.

‘Rottende mummies’

Ook lijkt Bethke een beetje moeite te hebben om de begrippen ‘religie’, ‘kerk’ en ‘christendom’ uit elkaar te houden. Vaak lijkt het zelfs alsof hij ze als synoniemen beschouwd. Hij heeft het over ‘religie’ (in het algemeen) die ‘kerken’ bouwt. Dan gaat het al snel over één bepaalde religie (het christendom) en niet meer over ‘religie’ in het algemeen. Die indruk wordt versterkt doordat Bethke het heeft over het Oude Testament, Johannes de Doper en Jezus. Bovendien is dat niet zijn enige inconsistentie. Een groot gedeelte van de tekst besteedt hij aan het afkraken van de kerk, die hij vergelijkt met “rottende mummies”, mooi van buiten, lelijk van binnen. Maar aan het einde van de tekst belijdt hij zijn liefde voor de kerk. Deze spanning is wellicht op te lossen door van een geestelijke en een wereldlijke kerk te spreken, maar dat doet hij dan weer niet.

Innerlijke bekering

Bethke’s kritiek snijdt natuurlijk ook best wel hout. Dat Republikeins stemmen niet automatisch de keuze van een christen is, bijvoorbeeld. En dat een christen zijn niet hetzelfde is als het aanpassen van je facebook-status. Dat christen-zijn meer vraagt dan braaf op zondag in de kerk zitten, terwijl de rest van je leven een grote orgie is, lijkt me een waardevol inzicht. Bethke pleit voor een innerlijke bekering, zelfs als je al christen bent van je geboorte.

Religieus ‘kabaal’

Deze ‘tweede bekering’ is kenmerkend voor de postmoderne evangelical scene waar Bethke zich duidelijk in thuis voelt. Christen zijn vanuit gewoonte of vanzelfsprekendheid is niet genoeg, je moet een tweede bekering meemaken, van een lauwe christen een vurige worden. En deze bekering dient het liefst gepaard te gaan zoveel mogelijk religieus ‘kabaal’. Hoe erger en zondiger het leven voor de bekering was des te beter van kwaliteit de bekering zelf. En daarmee is het een keurmerk voor de kwaliteit van het geloof van de bekeerde.

Verslaafd aan porno

In die zin kwalificeert Bethke zich meer dan voldoende. In zijn gedicht geeft hij een zwart beeld van zijn vorige leven. “Ik deed alsof ik een kind van de kerk was, maar tegelijkertijd was ik verslaafd aan pornografie. Ik deed alsof ik slechts geschapen was om seks te hebben en mijn leven te vergooien.” Ja, Bethke weet hoe hij zich een spiritueel stevig imago kan aanmeten.

Genade en bloed

Het wordt theologisch echter nog veel interessanter als Bethke aan het einde van het gedicht zijn theologie uit de doeken doet. Na nogmaals het verschil tussen Jezus en religie aan te zetten (“religie zegt slaaf, Jezus zegt zoon”) komt de evangelical tot zijn belangrijkste punt: “Mijn bevrijding is gratis, niet gebaseerd op mijn inspanningen, maar door Christus’ gehoorzaamheid alleen.” Hier klinkt een vrij stevige genadetheologie doorheen. Maar Bethke combineert deze met lijden en dood: “Hij nam de doornenkroon en bloed droop over zijn gezicht. Toen Hij aan het kruis hing, dacht hij aan jou. Hij betaalde voor alle zonden en werd begraven in een graf. Daarom kniel ik bij het kruis dat zegt dat er plaats is voor iedereen.”

Onbemiddeld

Bethke’s theologie valt uiteindelijk een beetje tegen. Zijn theologie is bloederig als Mel Gibsons The Passion of the Christ: hoe meer bloed Christus vergoten heeft, hoe groter de genade die ons daarmee is toegevallen. En in het verlengde daarvan: hoe slechter je leven vroeger was, hoe groter de genade die God je geeft in/door je bekering. Bethke moet niets hebben van geïnstitutionaliseerde religie, dat levert alleen maar ruis op de lijn op. Het gaat hem om de rechtstreekse, onbemiddelde ontmoeting tussen God en de gelovige.

Meer dan gebouwen

Dit levert een nogal eendimensionaal kerkbeeld op, waarin de kerk slechts een verzameling gebouwen en regels is. En omgekeerd is het idee van een gemeenschaploze religie wel erg aantrekkelijk, doch in de praktijk onhoudbaar. Religie heeft per definitie gemeenschap nodig: gelovigen dienen elkaar te ondersteunen, maar ook te bevragen. Gemeenschap houdt je scherp en bescheiden, voorkomt dat je jezelf als ijkpunt van je eigen waarheid gaat nemen. Want hoewel Bethke’s boodschap voor iedereen lijkt te zijn, is het feitelijk niets anders zijn boodschap alleen. Bovendien beseft Bethke niet dat hij alleen maar zich kan afzetten tegen de kerkelijke theologie doordat deze twee millennia de boodschap van Jezus heeft doordacht. Hij kan alleen maar in opstand komen tegen de kerk doordat hij er zelf door gevormd is.

Conclusie

Bethke’s succes op internet is te verklaren uit een combinatie tussen vorm (vlotte jongen, vlotte rap, strakke montage, goede muziek) en het voor zovele van ons aantrekkelijke idee van een kerkloos geloof zonder dogma’s, regels en discipline. Bethke’s theologie is echter die van een bloederige substitutie: Jezus lijdt voor ons en er is niets wat we daar aan kunnen doen. Ik krijg er de kriebels van.

Samengevat. Idee: 7. Uitvoering: 9. Inhoud: 4.

Bron: Deze recemsie is gepubliceerd op Katholiek.nl, en later op Credible.nlNederlands Dagblad citeerde op 24-01-12.