Het is vroeg in de ochtend. De vogels vliegen over je heen, terwijl de wind de bladeren van de struiken laat trillen. Het is doodstil om je heen. De zon is nog niet opgekomen, maar door de schemering kan je alles zien: het gras, de aangeharkte paden, de stenen, de bloemen, een verdwaald knuffeltje, de stemmen van lang geleden. Je knielt neer in de dauw op het gras. Je buigt je lichaam voorover tot je voorhoofd bijna de steen voor je aanraakt. Je vingers raken de koude steen aan, je nagels volgen de sporen van de woorden in de steen. Je duwt harder alsof je door de steen heen kunt duwen. Maar je kunt hem niet meer aanraken. Je woelt met je handen door de losse aarde rond de steen, maar je kunt hem niet meer voelen. Je lippen fluisteren zijn naam, maar hij kan je niet meer horen. Je tranen maken de aarde tot modder, maar je kunt hem niet meer proeven.

Witte rozen

Je reikt achter je. Daar liggen de bloemen die je hebt meegenomen. Witte rozen, zoals hij voor jou altijd meenam. Negenendertig, net zoveel als jij nu oud bent. Je prikt je aan de doornen en het bloed maakt rode vlekken op de bloemen. Je steekt je vinger in je mond en proeft je eigen bloed. Eén voor een leg de bloemen ze neer op de koude stenen, elke bloem een vertwijfeld gebed: Mijn God, waar ben je? Waar hebben ze je heen genomen? Je ligt languit gestrekt over zijn grafsteen, maar je weet dat hij er niet is. Ze hebben hem weggenomen, je geliefde. Waarheen weet je niet. Maar hier is hij niet meer. Alles wat hij was, alles wat hij voor jou was, is weg, verdwenen. Drie dagen geleden, ja… dat was toen.

Gelach

Dan ineens hoor je een geluid achter je: een ijl gelach als van een kind. Je draait je om en je ziet een kleine jongen achter je staan. Je schat dat hij zo’n acht jaar oud is, wonderlijk gekleed in niets anders dan een witte doek om zijn heupen geknoopt. Zijn zwarte haar krult over zijn voorhoofd, net als dat van Joshua. En met zijn handen in zijn zaken kijkt hij je lachend aan.

‘Waarom huil je?’

De jongen vraagt je: ‘Waarom huil je?’ Zijn stem maakt herinneringen los, maar op het moment dat ze vaste vormen aan nemen, glijden ze weer weg onder de steen voor je voeten. Je zegt hem dat jouw zielsbeminde is gestorven. En dat je gekomen bent om bij hem te zijn. Maar nu je hier bent, is hij verdwenen.

‘Maria’

Het jongetje draait zich naar je toe en zegt: ‘Maria’. Dan splijt de aarde in tweeën en neemt zij je op in haar schoot. De herinnering overweldigt je. En je herkent hem aan de klank van zijn stem: ‘Joshua, mijn liefste!’ Je probeert hem te vangen, maar je handen grijpen in het niets. Telkens als je hem net lijkt te kunnen aanraken, weet hij je te ontsnappen. Hij blijft je lachend aankijken, als een kind verdiept in zijn spel. Zijn ogen, zijn haren, zijn stem, alles. Het is jouw geliefde.

‘Ik moet weg’

Dan staat hij ineens stil en zijn gezicht wordt ernstig. ‘Ik kan niet blijven. Ik moet weer weg. Maar ik kom terug, snel.’ Je weet niet wat te zeggen. Dan pak je een van de witte rozen die nog steeds op zijn graf liggen. Je geeft de roos aan hem. De jongen lacht wederom, maar nu met de stem van een volwassenen en verandert voor je ogen in een sneeuwwitte zwaluw. Hij grijpt de bloem die je hem gegeven hebt in zijn snavel. Hij vliegt weg in de richting van de opkomende zon.

‘Hij leeft!’

Je staat op en loopt als in een droom naar de uitgang van de begraafplaats. Je loopt voorbij een jonge man. Ook hij heeft bloemen in zijn hand. Zonder het te beseffen buig je je naar hem toe en fluistert: ‘Mijn geliefde is niet langer dood. Hij leeft!’ En je wijst met je vinger naar de vogel die in de zon verdwijnt.

Advertenties