Op de nieuwste cd van de Zeelandse popgroep Blof staat een opmerkelijk esoterisch nummer: 21 gram. Het lied gaat over het gewicht van de menselijke ziel: “Hoeveel weegt een ziel // is dat veel // en als ie valt // blijft ie dan heel?” Het antwoord op de eerste vraag is overigens 21 gram.

Blof staat bekend om zijn melancholische melodieën en soms bijna expressionistische teksten, maar op het nieuwe album Alles blijft anders (2011) is een wel zeer opmerkelijk nummer opgenomen. In het lied 21 gram worden er vragen gesteld over de kwaliteiten van de menselijke ziel. “Hoeveel weegt een ziel? Is dat veel? En als ie valt? Blijft ie dan heel?” Volgens de band zelf een “esoterische” tekst.

Dansende engelen

In eerste instantie lijkt het een academische vraag, of zelfs een vraag om iemand in verlegenheid te brengen. Zo wordt er aan theologen vaak gevraagd: hoeveel engelen kunnen er dansen op de punt van een naald? Natuurlijk een strikvraag: geen (want ze hebben geen lichaam, en kunnen dus niet dansen) of allemaal (omdat ze geen lichaam hebben, kunnen ze ‘met zijn allen’ op één en hetzelfde punt zijn). De vraag wil niet beantwoord worden, maar de spot drijven met ‘esoterische’ kennis van God, engelen en ziel, die immers maar al te vaak worden afgedaan als hersenschimmen en ‘onwetenschappelijke nonsens’. De vragen van Blof zijn even absurd: iedereen weet dat je een ziel niet kunt vastpakken, dus ook niet wegen. En als je een ziel niet kunt wegen, dan kan ie noch vallen noch stukbreken.

McDougall

De titel van het lied is een verwijzing naar het beroemde experiment van dr. Duncan MacDougall in 1907. Deze arts wilde bewijzen dat de ziel écht bestaat, niet alleen in de harten van de gelovigen, maar ook in empirisch aantoonbare zin. MacDougall woog zes stervenden patiënten op een industriële weegschaal, vlak voor en vlak na hun dood: het verschil was 21 gram. Er kwam veel wetenschappelijke kritiek op het experiment: de methode zou niet fijn genoeg zijn, het experiment is op te kleine schaal uitgevoerd, en de uitkomsten zijn niet reproduceerbaar. Ergo: weg met het wetenschappelijk ‘bewijs’ van het bestaan van de menselijke ziel.

Gevangen in de empirie

Het belangrijkste kritiekpunt is volgens mij echter niet de kwaliteit van het onderzoek, maar het idee van het onderzoek zelf. MacDougall wilde het bestaan van de ziel bewijzen tegenover de atheïstische godsdienstkritieken: er bestaat alleen wat we kunnen meten, en daar horen zaken als God en een ziel niet bij. MacDougall blijft in zijn discussie met het atheïsme echter binnen de grenzen van het natuurwetenschappelijk paradigma dat hij zo verfoeit. Hij ‘strijdt’ tegen de condities en speelregels van zijn ‘tegenpartij’, en die strijd zal hij dan ook onherroepelijk verliezen.

Het ‘bewijs’ van de ziel is niet gelegen in empirische verificatie, want zij bestaat niet op het terrein van het fysieke bestaan. Als er al een ‘bewijs’ van de ziel bestaat, is dat eerder te vinden in poëzie, kunst en religie.

En juist door het stellen van deze ‘zielsvragen’ laat Blof heel fraai zien dat het ongrijpbare aspect van de ziel de kern ervan vormt: hoe kun je anders je ziel leggen in zulke mooie muziek?

Bron: Deze recensie is gepubliceerd op KatholiekNederland.nl.