Fictie

Theologisch sprookje: De hemel was leeg


Er was eens een God, die het erg druk had. Elke dag zette hij de raderen van het universum in werking. Hij berekende de bewegingen van de sterren en de kracht van de opkomende zon. ’s Nachts rustte hij niet. Hij zat dan op zijn hemelse troon met de twee weegschalen van tijd en ruimte in zijn handen. Rustig bungelden ze op en neer, nooit te veel naar beneden, nooit teveel naar boven. En terwijl hij zijn evenwicht bewaarde, stroomden elke nacht ontelbaar veel engelen langs zijn troon. In hun handen brachten zij hem wierook en papier. Op die papiertjes stonden boodschappen van zijn schepsels geschreven. ‘God, geef me dit of dat. Lieve God, maak die of die beter. Lieve God, geef dat ik sterven kan…’ En elk papiertje dat de engelen hem kwamen brengen, liet hij geduldig voorlezen. Meestal zij hij niets, soms schudde hij zijn hoofd. Knikken kon hij eigenlijk niet. Er was tenminste geen engel die zich dat herinneren kon.

Op een avond spraken twee engelen elkaar terwijl zij in de rij voor Gods troon stonden. De eerste engel zei tegen de andere:  “Heb je Hem wel eens zien knikken?” De andere schudde van niet. “Zou hij dat wel kunnen?” vroeg de eerste weer. Een derde engel voor hen draaide zich om en siste: “Natuurlijk wel! Hij kan toch alles!” De eerste engel volhardde echter met een rode gezicht: “Maar als hij alles kan, dan zou hij toch ook wel de gebeden van mensen kunnen verhoren?” De tweede schudde weer zijn hoofd. “Maar waarom niet?” zie hij dan toch. “Brutale bengel…” begon de derde weer, maar door een gebaar van zijn collega deed hij het zwijgen toe. “Omdat het evenwicht dan verstoord wordt,” zei een boomlange engel twee rijen achter hen. “Hij houdt alles in evenwicht. En als hij aan het gebed van deze of gene mens zou toegeven…. Ik bedoel: waar eindigt het dan?”

De anderen knikten. Behalve de jonge vragensteller. Hij zei: “Maar waar dienen al die gebeden dan voor, als God ze niet in vervulling kan doen gaan?” De engel voor hen zei snibbig: “Wil doen. Hij kan het wel, maar hij wil het niet.” “Oké, waarom wil Hij dat dan niet?” zei de eerste engel.  “Omdat Hij hemel en aarde gemaakt heeft, en alles wat er op leeft, om Hem te dienen en te gehoorzamen. Gebeden zouden moeten bestaan uit wierook, niet uit azijn.” De eerste engel kromp ineen en zweeg verder maar. Na lang wachten kwam ook Hij bij God aan. Hij boog diep en las het aan hem toevertrouwde gebed voor. Hoewel zijn mond bewoog, kon niemand anders het gebed verstaan, behalve God zelf. Na het woordenloze gebed schudde God een beetje met zijn hoofd. De kleine engel draaide zich echter niet om, maar zei nog iets. En de verzamelde engelenscharen hoorden: “Kan je deze echt niet in vervulling doen gaan?”

De troonzaal kromp ineen. De engelen deden hun vleugels voor de ogen en wierpen zich ter aarde. Een oorverdovend geluid scheurde de hemel in tweeën. Toen de engelen weer durfden te kijken, zagen zij een bang hoopje vleugels zich snel uit de voeten maken. De rij met engelen ging onverstoorbaar verder, terwijl deze ene engel met zijn gebedje naar het vuur liep. Ook daar stond een hele lange rij. De engelen die net hun onhoorbare gebed hadden voorgelezen, lieten deze nu in het donkere vuur vallen. Ze verteerden tot as. Een klein wolkje bewees hun vernietiging. Deze ene engel wachtte en wachtte tot hij de laatste in de rij was. Toen trok hij een veer uit zijn vleugel en liet die in de vuurmassa vallen. Trillend van pijn en angst klemde hij het papiertje in zijn armen.

Toen hij zich omdraaide, stond de engel naast hem, die samen met hem in de rij had gestaan, en die tot nu toe had gezwegen. Hij keek de kleine engel aan, die in een kromp. Hij keek en keek en keek. Toen knikte hij even en liep weg. De kleine engel sloop terug naar de troonzaal en zag daar God het kosmische evenwicht behouden en de banen van de planeten bereken. Met zijn hoofd omlaag liep hij naar Gods troon en las nogmaals het aan hem toevertrouwde gebed voor.

Stilte. Niets gebeurde. De kleine engel keek voorzichtig naar boven, naar het stralende gelaat van zijn schepper. Diens oogopslag was donker, maar Hij zweeg. Toen wees God naar de bloedende vleugel van de kleine engel, maar zei niets. Gods stem klonk zacht: “Breng me naar haar toe.” “Graag, mijn Heer!” zei de kleine engel. En God stapte van zijn troon naar de engel. En met elke stap werd hij kleiner en kleiner. Toen hij de engel tot twee stappen genaderd was, stond er een mensengestalte voor hem, naakt en zonder luister. Nog een stap dichterbij vloog een vlinder naar de engelenhand. En in diens hand gekomen, werd hij tot een pluizig zaadje. De engel hield hem stevig in zijn hand en vloog naar de aarde. De troonzaal bleef leeg achter.

De engel vloog naar de aarde tot hij in een klein dorpje was aangekomen. Hier zocht hij naar de jonge vrouw die hem het gebed meegegeven had, nog geen uur geleden. Hij vond haar slapende in bed, haar vriend naast zich. Ze waren nog warm van de liefde. En in hun slaap opende de kleine engel zijn handen en het pluisje zweefde op de wind tot aan de lippen van de slapende vrouw. Daar gloeide het nog even op en verdween. De vrouw draaide zich op in haar slaap en kuste de lippen van haar vriend. Na enkele weken merkten zij dat ze zwanger was.

De kleine engel keerde terug naar de hemel, naar de goddelijke troonzaal zonder God. De planeten vervolgden hun koers. En mensen stierven en werden geboren, alsof er nooit iets gebeurd was. De hemel was leeg en de engelen spaarden hun gebeden op tot de dag dat hun Heer zou terugkeren. De zwijgende engel zocht zijn kleine beschermeling op en vroeg wat er gebeurd was. De kleine engel vertelde hem alles. De andere engel zweeg en keek naar de lege troon. “Er staat iets groots te gebeuren,” zei hij.

“Hoe was de naam van die mens wiens gebed je aan God hebt voorgelezen?” De engel fluisterde: “Maria.”

Advertenties