Het was in 1989. En ik weet het nog zo goed. Het lokaal was leeg. De deur stond half open. Ik gluur naar binnen en zie in de verre hoek een stapel verfrommelde papiertjes liggen. Klaas van Vliet schreef elke les zijn schrijfblaadjes vol met schaamteloos seksuele toenaderingen. Niet dat iemand er nog op reageerde. Het was regel in onze klas dat elke ontvanger de propjes seks in een hoek wierp. En aan het einde van de week mocht Klaas in elke klas zijn zooi komen opruimen.

Met mijn natte vingers trek ik strepen over het bord. Ik vermeng geschiedenis met wiskunde. 1989 wordt 19-9, maar de uitkomst blijft even ongewis. De Kapitein brulde in mijn oor dat ik het beter kon. Beter moest. Zijn adem rook naar groene paprika en uien, vaag naar Spanje, maar dan Hollandser. Terwijl ik zijn preek met gepaste onverschilligheid aanhoorde, zag ik mijn klasgenoten Lucy en Barbara met elkaar giechelen. Voor het eerst in de geschiedenis van onze klas lag een van Klaas’ vruchten niet te rotten in een hoek, maar uitgevouwen op tafel.

Ik kijk naar buiten. Het vuil maakt spinnewebben op de ramen. Het licht is gebroken. Ze voelen koud aan. Ik adem zoals vroeger op de halve spiegel en schrijf mijn eigen naam. Mijn laatste M gaat over in de eerste van Marco, die driftig aan het smoezen was met Richard die naast hem zat. Haar als kolen naast een stoplicht. Ook zij negeerden de kapitein en zijn historisch gebrul en keken naar Klaas in de hoek. Hij schreef geen blaadjes meer, maar kraste met zeldzaam geduld figuurtjes uit op zijn tafelblad.

Ik loop van het raam naar de enkele tafel achter in het lokaal. Ik voel de voren van ingekerfde tekeningen. Ik haal mijn vinger open aan een van de ruwe haaltjes op het blad. Het proeft naar ijzer, dat zei mijn opa altijd. Zo smaakte mijn fietssleutel ook, op die dag in 1989. Ik droomde boven het zadel van mijn fiets. Ik frummelde aan het slot, maar die wilde niet open. Ik staarde over het grasveld tussen onze school en de huizen aan de overkant. Klaas liep erover, voor het eerst in de geschiedenis van onze klas, niet alleen. Gearmd tussen Barbara en Lucy leek hij te schommelen als een gek in een dwangbuis. Ik staarde tot ze verdwenen waren en fietste weg.

Ik loop even terug naar de deur om hem te sluiten. Sommige geesten wil je buiten houden. Maar de klink is net zo koud als het glas met Marco’s naam, en ik verstijf. Zijn rotte tanden dansten voor mijn ogen de volgende morgen. Klaas was niet te zien, Barbara en Lucy lachten met hem mee. Ik had moeten vragen waar hij was, maar moed had ik nooit. Tijdens de lessen die dagen keek ik naar de berg propjes in de hoek, die maar niet groter werd.

Van de deur loop ik naar de ene hoek van het lokaal. Ik woel door de laatste berg papiertjes heen. Ik open ze en lees het verhaal dat ik nooit wilde lezen. Ik lees laatste woorden net als toen, in 1989. Na schooltijd zat ik tegen de muur en las ze door, één voor één. Seksuele toespelingen zoals elke puber die uit zijn hoofd kan citeren. Maar ook fijne zinnen, aan onzichtbare draden geweven. En in mijn hoofd vormden lijnen een spiegelbeeld. Die nacht droomde ik, maar de droom ging nooit meer weg.

Ik sta op en loop naar Klaas’ tafel en stoel. Beiden staan recht, terwijl de andere tafels en stoelen die nacht in een wilde dans lijken te zijn verstrikt. De enige orde in het lokaal vormt de keurige stapel papiertjes in de hoek. Een oorkaan beheerst de rest. De deur van de school vloog open. Dat zagen we niet, maar hoorden we alleen. Een glas versplinterde, een stem stierf weg. Marco stoof de gang op, dat was het laatste wat we van hem zagen.

Ik ga op de stoel zitten, Klaas’ stoel en leg mijn handen op zijn tafel. Ik trek bloederige strepen over zijn tekeningen op het blad. Barbara en Lucy lagen elk in hun eigen bloed. Het stroomde in een feeëriek stroompje richting gang, waar een halve voetstap nu nog steeds te zien is. De wit-rode linten zijn weg, de gele ambulances vetrokken, maar elk jaar kom ik terug in het haveloze gebouw, dat nu al weer lang gesloopt is. Ik dwaal door dat ene lokaal waarin eenzaamheid omsloeg in waanzin. Waar een grap bloedserieus werd genomen. Behalve een kapotte duif had ik nog nooit iets doods gezien, maar in die paar minuten zag ik vier mensen sterven. Vier slachtoffers, vier daders.

Met mijn bebloede hand sla ik op het verdwenen glas. Sommige herinneringen sterven niet, noch verdwijnen ze in de vergetelheid. Ik laat mijn bloed hetzelfde spoor trekken, maar de pijn wordt niet minder. Ik sta op uit Klaas’ stoel die nu midden in een winkelcentrum staat. Het is ons lokaal niet meer, en op zijn stoel die nu van staal en beton is, zitten hangoudjes de dag door te komen. Ik strijk over de bosjes met hun scherpe stekels. De nieuwe pijn verdringt de oude.

Bron: Dit verhaal is in licht ingekorte vorm gepubliceerd op Rammenas.nl.

Advertenties