In het dagelijks-kerkelijk taalgebruik wordt vaak gesproken over ‘pastor’, ‘pastoor’ of ‘pastores’, naast of vaak ook in de plaats van ‘priester’ of ‘pastoraal werker’. De verwarring over deze (sterk op elkaar lijkende) benamingen is groot, vaak omdat aan een bepaalde term ook kerkpolitieke gevoeligheden gekleefd zitten. Of je een priester ‘pastoor’ of ‘pastor’ (in de uitspraak een nauwelijks hoorbaar verschil) kan een manier zijn om te zeggen hoe je in de kerk staat. Voor iedereen daarom een korte uitleg over alle termen.

‘Priester(s)’. Ons woord ‘priester’ komt etymologisch van het Griekse ‘presbyter’. In het Nieuwe Testament wordt gesproken van ‘presbyter’ (‘oudste’) en ‘episkopos’ (‘opzichter’). De presbyters bestuurden gezamenlijk een christelijke gemeenschap, naar analogie van een synagoge-bestuur. Zie bijvoorbeeld Hand. 11,30, 14,23 en 15,22. In onze huidige tijd slaat het woord ‘priester’ op een door één of meerdere bisschoppen gewijde man die gemachtigd is zes van de zeven sacramenten te bedienen (een priester kan geen priester wijden). Later kwam het Latijnse woord ‘sacerdos’ in zwang.

‘Pastoor / pastoors’. ‘Pastoor’ komt van het Latijnse ‘pastor’ wat ‘herder’ betekent. Een pastoor is verantwoordelijk voor de kleinste kerkelijke eenheid in de r.k.-kerk: de parochie. Een pastoor wordt gezonden door de bisschop, maar wordt betaald door de parochie zelf. Een pastoor is altijd een gewijde priester.

‘Pastor / pastores’. Dit is de lastigste term omdat hij vaak net even iets anders wordt gebruikt. Ook de term ‘pastor’ komt van het Latijnse ‘herder’ (net als ‘pastoor’), maar wordt vaak generiek gebruikt. Dat wil zeggen dat zowel gewijde priesters als ongewijde pastoraal werkers (met een universitaire, theologische opleiding) ermee bedoeld kunnen worden.

In het woord ‘pastor’ is dus niet te zien of iemand gewijd is of niet. En daar zit hem de kerkpolitieke gevoeligheid. De Nederlandse bisschoppen hebben op aandringen van het Vaticaan bepaald dat – vanwege het gevaar op verwarring – de term ‘pastor’ alleen voor een gewijde priester mag worden gebruikt. Veel katholieken, waaronder ook een aanzienlijk aantal priesters, blijft er van mening dat de term ‘pastor’ hoort bij iedereen die in de pastorale zorg werkt, gewijd of niet. Wie de term ‘pastor’ in de mond neemt, lijkt hier soms een statement mee te willen geven vóór vernieuwing te zijn, terwijl de ‘strengen’ vaak verlangen naar duidelijkheid en eenheid.