Dit verhaal won de oktobereditie van de schrijfwedstrijd ‘De inspiratie van het woord’, georganiseerd door het NRCV-programma Schepper&Co. De uitslag is zondag 4 oktober tijdens de uitzending bekend gemaakt.

Ik ben altijd een beetje jaloers, op die ‘oude God’ van het Oude Testament. Hij wandelt met Adam en Eva door Eden en dicteert zijn Geboden aan Mozes. God lijkt zo nabij, je kan hem zelfs aanraken. Of met hem in discussie gaan, zoals Abraham. Of tegen hem mokken, als Jona. Of met hem vechten, als Jacob.

Ja, dat meest roemruchte gevecht aan de oevers van de rivier de Jabbok is door de wereldgeschiedenis vergeten en ergens in enkele verzen in het boek Genesis weggemoffeld (32,23-32). God en mens strijden met elkaar op leven en dood. En hoewel de uitslag bij voorbaat lijkt vast te staan, wint de mens, hoewel niet ongeschonden. Het is gevaarlijk dat gevecht met God aan te gaan, levensgevaarlijk.

Jacob brengt zijn familie aan de overzijde van de rivier in gevaar. Hij is bevreesd voor Esau, zijn broer die hij bedrogen heeft. Jacob zelf blijft achter, ‘helemaal alleen, en worstelde met iemand tot de dag aanbrak’. Jacobs onbekende aanvaller merkt dat hij het gevecht dreigt te verliezen en slaat Jacob op zijn heup. Dat brengt even rust in het gevecht. Hijgend kijken de twee kemphanen elkaar aan. Als de vreemdeling aan Jacob vraagt om hem te laten gaan, dwingt hij zijn aanvaller ertoe hem eerst te zegenen. En dan maakt de aanvaller zich bekend: “Voortaan zal je naam niet Jakob zijn maar Israël, want je hebt met God en mensen gestreden en je hebt gewonnen.”

De zin dreunt altijd na in mijn hoofd. Talloze malen heb ik dit verhaal gehoord en gelezen. Maar het bloed blijft door mijn oren suizen: ‘je hebt met God gestreden en je hebt gewonnen…..’ Met deze Jacob voel ik mij van alle bijbelse figuren het meest verwant: strijdend op leven en dood met die onzichtbare en ongrijpbare God. Als gelovige én als theoloog ga ik dagelijks dit gevecht aan, terwijl ik weet dat het gevecht nooit zal ophouden. Niet alleen begrijp ik God niet nog steeds niet, maar Hij irriteert me, hij valt me lastig, loopt me steeds hinderlijk voor mijn voeten. Als ik eens de andere kant op kijk, zie ik hem in mijn ooghoek voorbij schieten. Als ik meen iets van Gods plan met mensen te begrijpen, ontglipt Hij de dans, die tot een wurggreep was verworden. Die waanzinnige, liefdevolle, dwaze, wijze God.

En net als Jacob komt niemand ongeschonden uit zo’n strijd. Ik ook niet. Maar ik toon mijn Godswonden en klaag door de straten van de stad: ‘Wees niet langer ongelovig, maar gelovig’.

Bron: Schepper&Co (NCRV)

Juryrapport

Dit is voor mij het winnende verhaal om een aantal redenen:

1. Het is uitstekend geschreven en voldoet aan alle kenmerken van een goede column, met een kop, een middenstuk en een staart, waarin een heldere conclusie is verwoord.

2. De keuze voor het verhaal over Jakob is een goede. Ofschoon misschien minder bekend, is het namelijk een heel fundamenteel bijbels verhaal, omdat hier Israël zijn naam krijgt. Naamgeving beduidt in bijbelse taal tegelijk een opdracht en een levensprogramma.

3. Het is ook een eigentijds verhaal, omdat duidelijk wordt hoezeer geloven niet een vanzelfsprekend bezit is maar een werkwoord, ja zelfs een worsteling waaraan je gewond kunt raken. Alle vrijblijvendheid hier is weg. Het maakt bovendien niet uit of je een ‘gewone’ gelovige of een ‘beroeps’-gelovige bent, paus of theoloog.

4. Ten slotte de conclusie. Die luidt: ga het gevecht met God aan, realiseer je dat je daarbij gewond raakt, en ga de stad in, naar de mensen, toon je wonden en roep je klacht die tegelijk een getuigenis is. Kortom: houd het niet bij jezelf, maar treedt naar buiten! Heel authentiek!

Philippe van Heusden,
directeur van de Katholieke Bijbelstichting

Jacob bij de Jabbok (Genesis)

Het was nog nacht toen Jakob opstond en de Jabbok overstak op een doorwaadbare plaats, samen met zijn beide vrouwen, zijn twee bijvrouwen en zijn elf kinderen. Nadat hij hen over de rivier had geholpen, bracht hij ook al zijn bezittingen naar de overkant. Maar zelf bleef hij achter, helemaal alleen, en er worstelde iemand met hem totdat de dag aanbrak. Toen de ander zag dat hij het niet van hem kon winnen, raakte hij Jakobs heup aan, en daardoor raakte Jakobs heup tijdens die worsteling ontwricht. Toen zei de ander: ‘Laat mij gaan, het wordt al dag.’ Maar Jakob zei: ‘Ik laat u niet gaan tenzij u mij zegent.’ De ander vroeg: ‘Hoe luidt je naam?’ ‘Jakob,’ antwoordde hij. Daarop zei hij: ‘Voortaan zal je naam niet Jakob zijn maar Israël, want je hebt met God en mensen gestreden en je hebt gewonnen.’ Jakob vroeg: ‘Zeg me toch hoe u heet.’ Maar hij kreeg ten antwoord: ‘Waarom vraag je naar mijn naam?’ Toen zegende die ander hem daar. Jakob noemde die plaats Peniël, ‘want,’ zei hij, ‘ik heb oog in oog gestaan met God en ben toch in leven gebleven.’ Zodra hij bij Peniël was overgestoken, zag hij de zon opkomen. Jakob liep mank.

Genesis 32, 23-32

Advertenties