Titus Brandsma. De man achter de mythe van Ton Crijnen is een gedegen en uitgebalanceerd werk. Het boek is verfrissend en vernieuwend te noemen. Andere biografieën van onder andere Henk Aukes (1961) en Brocardus Meijer (1951) zijn meer hagiografieën dan biografieën, dat wil zeggen dat ze meer bestemd zijn om de heiligverklaring van Brandsma veilig te stellen dan een genuanceerd beeld van een complex mens te schetsen.

Crijnen wilde zeker geen heiligenleven schrijven. Hij vindt dat Aukes en Meijer zich soms verliezen “in lyrische beschrijvingen waardoor Dichtung en Wahrheit regelmatig en soms bijna onontwarbaar in elkaar overlopen” (p. 12). Naar mijn smaak geldt dat ook enigszins voor de Brandsma-biografie Als het goede maar gebeurt van Joan Hemels, die vorig jaar verscheen. Dit boek is weliswaar geen hagiografie te noemen, maar neigt soms ook naar eenzijdigheid en heldenverering.

Godfried Bomans

Titus Brandsma (1881-1942) was pater karmeliet, hoogleraar in de filosofie en rector van de Katholieke Universiteit Nijmegen (de huidige Radboud Universiteit). Hier had hij onder anderen de Nederlandse literator Godfried Bomans onder zich, die een van de beroemdste anekdotes over Brandsma heeft gepubliceerd: “Hij kon slecht ‘nee’ zeggen”. In 1941 werd Titus door aartsbisschop Jan de Jong van Utrecht aangesteld om de belangen van het katholiek middelbaar onderwijs en de katholieke pers te verdedigen. Brandsma werd door de Duitsers gearresteerd en stierf in het concentratiekamp Dachau.

Twee gezichten

Ton Crijnen is historicus en publicist en werkte vijftien jaar als redacteur religie en filosofie bij dagblad Trouw. Hij laat de twee gezichten van de bijna-heilige (zaligverklaring reeds op 3 november 1985) duidelijk zien. Titus Brandsma was volgens Crijnen een complexe man. Enerzijds zette hij zich in voor de emancipatie van de katholieke zuil en kwam hij op voor de persvrijheid, aan de andere kant moest hij weinig hebben van het democratische staatsbestel. Hij verafschuwde, zoals zo velen in die periode, het socialisme en het communisme, en hij beschouwde, ook als zovelen in die periode, het fascisme van nazi-Duitsland als een ‘buffer’ tegen de oprukkende antikerkelijke krachten. Vandaar waarschijnlijk dat uit 1933/34 geen geschriften tegen het nazisme te vinden zijn.

Nazisme

Brandsma besefte – als een van de weinigen in die dagen – dat het christendom zijn religieuze en historische wortels in het jodendom heeft. Dit leidde echter niet tot een fel verzet tegen het door hem niet ontkende antisemitisme in katholieke kringen. Bekering was noodzakelijk, maar geweld was daarbij voor hem taboe. Hij liet enkele zeer onvriendelijke passages aangaande het jodendom in de door hem geredigeerde katholieke encyclopedie ongemoeid, maar kaartte in 1935 direct de waanzin van de Neurenberger rassenwetten aan. Zijn motivatie is glibberig: “Hoe veel edeler en sterker zouden de bestrijders van de Joden zijn, indien zij, deze macht niet kunnende of niet willende verdragen, in een edele wedstrijd zouden beproeven, even goed te doen en beter, wat deze Joden in maatschappelijke uitwisseling van diensten tot heden met zo groot succes deden” (p. 291).

Modern heidendom

In 1936 sloot Brandsma zich aan bij het Comité van Waakzaamheid, dat opgericht was door intellectuelen als E. du Perron, Menno ter Braak en Anton van Duinkerken. Aartsbisschop De Jong kon het echter niet verkroppen dat katholieken met socialisten in één comité zaten en verbood lidmaatschap. Brandsma accepteerde met moeite. De unfähigkeit ‘nee’ te zeggen (Bomans) liep soms moeiteloos over in stijfkoppigheid. In 1938 en 1939 fileerde hij in colleges het nationaal-socialisme en bestempelde het als een ‘modern heidendom’.

Ariërverklaring

Ondanks zijn antinazistische opstelling verzette Brandsma zich niet openlijk tegen de Reichskristallnacht (9 en 10 november 1938). Toen in 1940 ook aan de hoogleraren te Nijmegen gevraagd werd de beruchte ‘Ariërverklaring’ te onderteken, deed Brandsma dat, tot grote afschuw van fans en critici tot op de dag van vandaag. Hij schreef zijn familie: “In verband met de verordeningen heb ik zojuist een verklaring gepost, dat ik niet van joodse bloed ben: een echte Stânfries. Het is maar treurig voor de joden. Ik heb met hen te doen” (p. 317-318).

Janusfiguur

Ton Crijnen werpt veel vragen op in zijn biografie. Het getuigt van moed om de antwoorden op deze vragen niet uit zijn Brandsma te persen door speculaties en psychologiseringen. Brandsma blijft een Janusfiguur, met twee gezichten, elk naar een andere kant kijkend. Principieel en pragmatisch tegelijk, vooruitstrevend en conservatief tegelijk. Tot zijn arrestatie in 1942 bleef Brandsma zich inzetten voor zijn joodse medeburgers, maar hij bleef vasthouden aan zijn mening dat alleen een bekeerde jood een ‘goede’ jood kon zijn. En die Ariërverklaring? Die blijft ook bij Crijnen even mysterieus als altijd.

Ton Crijnen, Titus Brandsma. De man achter de mythe, Valkhof Pers: Nijmegen (2008), isbn 9789056252786, €39,50.