Fictie

Brief van Jezus: ‘Hallo’


Beste….,

Ach ja, ik weet niet eens je naam. Je hebt er zeker weten één, waarschijnlijk met zorg en liefde door je vader en je moeder uitgekozen. Ik zou je naam moeten weten. Ik behoor die te weten. Maar hij ontglipt me gewoon even…

Volgens mijn naam was ik voorbestemd om te redden. Of eigenlijk: de Eeuwige zou zijn werk door mijn handen doen. Maar het enige dat ik kon doen, was tekenen in het zand. Een naam kan een hele belasting zijn, zoveel hoop wordt erin opgesloten. Teveel hoop voor één mens om te dragen. Ze noemde mij naar één van de priesters uit het roemruchte verleden toen de wereld nog jong was. En naar één van de priesters die onder tranen terugkeerde naar hun vaderland. ‘De Eeuwige redt…’, maar waarvan en tegen welke prijs?

De prijs die ik moest betalen voor die beladen naam was hoog, alleen al omdat ik er zelf in geloofde. Ik verzamelde vrienden om mij heen, leerlingen en meelopers, en vertelde ze over de wereld van morgen. Een wereld waarin koningen hun onderdanen niet uitknijpen, waarin rechters en ambtenarren niet omkoopbaar zijn, waarin liefde voor recht en recht voor haat gaat. Maar het enige dat zij onthielden, was dat ik op de grond schreef. Wat ik schreef, weet niemand meer. Ik ook niet, dus het zal wel niet belangrijk geweest zijn. Maar dat schrijven, o dat schrijven, want vonden ze dat mateloos interessant. Spreken is als leven, vluchtig, ademloos en verzengt met felle passie. Schrijven is als de dood, eeuwig en onveranderlijk. Mijn executeur zei het nog zo letterlijk: wat ik geschreven heb, heb ik geschreven. En zelf nu voel ik me ontrouw aan mijzelf door deze brief te schrijven. Maar ik heb nooit beweerd mijzelf niet tegen te spreken. Dat hebben anderen gedaan…

Maar ik vat niets in steen, alleen in vlees. Ik kerf mijn vuur en koel niets af. Eén van mijn vrienden, gek van verdriet, schreef dat anderen ‘warm noch koud’ waren. Liever warm, dan koud, maar liever koud dan lauw. En koud zijn mijn woorden geworden, gebeiteld in honderden verhalen naast elkaar. Ben jij er één van Marcus of van Mattheus, van Thomas of van Maria, van Calvijn of van Constantijn? Gekkenwerk!

Laatst bracht ik een weer eens van mijn routine bezoekjes. Wat zou Jezus eten? Wat zou Jezus rijden? Wat drinken? Wat stemmen? Alsof Jezus het antwoord op alle vragen heeft? Alsof Jezus het antwoord op alle vragen is? Ik weet je wel een weg te wijzen, een weg die naar het goede leven leidt. Waarheid, dat is een groter probleem. Mijn executeur – ik merk dat ik het nogal eens over hem heb – vroeg me jaren geleden al “Wat is waarheid?” Die gekke vriend van mij eerde mij en zijn eigen verdriet door mij tot waarheid te benoemen. Waar geloof ik zelf in?

Ik geloof in een eeuwige God die de wereld geschapen heeft, de God van Adam, Noach, Abraham, Isaac, Jacob, Jozef en Mozes. Ik geloof in een levende God, die ons in zijn vleesgeworden liefde heeft verlost, de God van de Jesaja en Jeremia, van Micha en Daniël, van Zacharias en Johannes de Doper. Ik geloof in de eeuwige hoop die leven brengt, de God van Michel, Annemeike, Johan, Lisanne, Sam, Mariëlle, Bob, Annelies, Frank en Jezus.

Ik weet dat ik te lang niets van me heb laten horen, twee duizend jaar is eigenlijk een te lange stilte om een serieuze relatie mee te onderhouden. Ik neem dus het goede voornemen om je vaker te schrijven. En als je mij wat te schrijven hebt, laat het dan weten. Een relatie gaat twee kanten op. Als ik je naam nu maar eens kon herinneren……

Groetjes,

JC

Bron: Deze brief is gepubliceerd op Isidorusweb.nl.

Advertenties