Wat hebben De Da Vinci Code, het Judas-evangelie en de Vrijmetselaarij met elkaar gemeen? Bij alle drie gaat het om esoterische kennis, kennis die alleen voor ingewijden is bestemd. Het is tijd om het begrip esoterie nader onder de loep te nemen, zegt Frank Bosman van het Theologisch Instituut Luce.

Esoterie is ‘in’. Alleen weet niemand precies wat het betekent. Daarom wordt deze naam aan alles en nog wat verbonden: van kruidenthee tot wierookstokjes en van wicca tot en met Stonehenge. Met enige regelmaat duiken er ‘gnostische’ evangelieën op, zoals recentelijk van Judas. In prachtige tvdocumentaires worden Katharen, Tempeliers en Vrijmetselaars aan elkaar gekoppeld door ze allemaal ‘esoterisch’ te noemen. En auteurs als Dan Brown overgieten deze chaos nog eens met allerlei smeuïge complottheorieën over een christelijke kerk die met opzet belangrijke doch ‘kerkgevaarlijke’ documenten zou hebben verdonkeremaand.

Om in deze chaos van halve waarheden en pseudowetenschappelijke speculaties een eerste weg te vinden, organiseert het Theologisch Instituut Luce (Utrecht) een speciale open collegereeks. Een voorbeschouwing.

Om eerst maar eens terug te komen op de recente vondsten van ‘gnostische evangelieën’, zoals die van Maria Magdalena, Fillipus, Thomas en Judas. Deze documenten zijn niet in de christelijke bijbel (canon) opgenomen, maar zijn om verschillende redenen door de kerkvaders verworpen. Wat ze gemeen hebben, is het etiket ‘gnostisch’. En ze bevatten geen wonderverhalen van Jezus, geen geboorte- of lijdensverhaal, noch een verslag van de gebeurtenissen rond Zijn verrijzenis. In plaats daarvan bestaan deze apocriefe geschriften voor het merendeel uit filosofisch getinte discussies tussen bijvoorbeeld Jezus en een uitverkoren leerling (Judas, Maria Magdalena, enz.).

Het recent gevonden Judasevangelie vertelt dat de gelijknamige apostel de enige was die echt begrepen had wat de missie van Jezus was. De anderen konden dit niet omdat ze (nog) niet‘waardig’ of ‘rijp’ genoeg waren. Dit is een belangrijk kenmerk van de gnosis. Slechts enkelen zijn uitverkoren (‘katharoi’, de gelouterden, later ‘Katharen’) en kunnen de ‘ware kennis’ (gnosis) begrijpen. Dit was en is overigens ook een belangrijk kenmerk van mysteriegodsdiensten en -sekten. Alleen na een bepaalde inwijding kan men deelachtig worden aan de ‘ware leer en kennis’.

Later zouden ook de Katharen met deze inwijding verbonden worden, net als de Tempeliers, hun reïncarnaties in de Romantiek (‘neo-Templisme’) en de Vrijmetselarij. Het gemak waarmee al deze verschillende stromingen en groeperingen aan elkaar gehangen worden door middel van één begrip, ‘esoterie’ of ‘gnosis’ is van een schokkende eenvoud, die inderdaad helaas te mooi is om waar te zijn. De Tempeliers als bewakers van een geheime, esoterische wijsheid is het resultaat van een uit de hand gelopen poging van enkele Schotse Vrijmetselarijloges om de Tempeliers en hun faam voor eigen gebruik in te palmen.
In 1904 werd nog de Ordo Templi Orientis opgericht door de Franse occultist en womanizer Alister Crowley (1875 – 1947) als onderdeel van de zogenaamde Ecclesia Gnostica Catholica.

Reïncarnatie

De gnostische evangeliën hebben verder gemeen dat ze de verlossing van de menselijke ziel niet afhankelijk maken van het verlossingswerk van Jezus, zoals de
canonieke boeken dat wel doen. Het is aan iedere mens persoonlijk om zijn of haar ziel te verlossen. Jezus is een heilig man, maar niet de Zoon van God; navolgenswaardig, maar niet ‘Hij die de zonden van de wereld wegneemt’. De mens is dus verantwoordelijk voor zijn eigen heil. Dit idee wordt tot op de dag van vandaag teruggevonden in diverse esoterische stromingen zoals bijvoorbeeld de Theosofie en de Antroposofie, vaak in combinatie met het geloof in reïncarnatie.

In het Judasevangelie is Judas’ actie geen verraad, maar een juist door Jezus zelf gewenste handeling. De dood is voor Jezus geen nederlaag, maar de mogelijkheid
zich te bevrijden van het stoffelijke lichaam. De gnosis ziet de stoffelijke wereld waarin wij leven als kwaad, een uitvinding van een slechte God. Hoewel deze God vaak vereenzelvigd wordt met de God uit het Oude Testament is de gnosis niet inherent antisemitisch, zoals wel eens wordt beweerd. Het hele universum bestaat uit een gevecht tussen de machten van het licht en de machten van de duisternis. Hierin staat hemel tegenover wereld, stof tegenover geest, mannelijk tegenover vrouwelijk, enz. De gnostici hadden zo’n sterke afschuw van het lichaam dat Jezus in het Evangelie van de Egyptenaren antwoordt op de vraag van een vrouw “Hoe lang zal de mens nog lijden?”, “Zolang de vrouw kinderen krijgt”. Seksualiteit wordt
verworpen als iets dat het kwade stoffelijke in stand houdt in plaats van vermindert. Dit verklaart ook waarom in gnostische evangeliën elk genezingsverhaal ontbreekt.
Als het lichaam er niet toe doet, waarom het dan genezen?

Wij zijn gewend naar de kerkgeschiedenis te kijken als doorspekt met haat en vijandelijkheid tegenover seksualiteit, vrouwelijkheid en lichamelijkheid (Tertullianus’ “vrouwen zijn de poorten van de duivel”, en meer van dat fraais), een kerk met martelaren en monniken, celibatairen en maagden. Toch kozen de kerkvaders voor die geschriften die weliswaar de superioriteit van de ziel (en de geestelijk wereld) bevestigden, maar tegelijkertijd het lichaam niet vergeten. Tegen
een meerderheid van gnostische, lichaam- en vrouwvijandige teksten in heeft de kerk gekozen voor die geschriften die juist het lichamelijk willen opnemen in het geestelijke, het aardse in het hemelse. Daarmee is het Judasevangelie een interessante exponent van een invloedrijke stroming in het jonge christendom dat het – tegen de verwachtingen in – heeft afgelegd tegen een meer lichaam- en vrouwvriendelijke visie.

Jeugdliefde

De spirituele jeugdliefde van de invloedrijke kerkvader Augustinus van Hippo was het Manicheïsme, een andere gnostische stroming, voort gekomen uit het hoofd van Mani, een profeet uit een Joods-christelijk milieu. Ook het Manicheïsme bekend zich tot een sterk dualisme (kwaad versus goed). En in dit aspect is Augustinus altijd trouw gebleven aan zijn eerste liefde. Het onderwerp van de kosmische strijd tussen
God en Kwaad is zelf het hoofdthema uit een van zijn bekendste werken, De Civitate Dei, ‘de Stad Gods’. Omdat Augustinus’ leer over genade en verlossing, en over lichamelijkheid en seksualiteit veel invloed hebben gehad op de christelijke traditie, zijn een aantal meer gnostische elementen terug te vinden in de orthodoxe mainstream van de christelijke kerken. Het ‘seksuaalpessimisme’ dat toch al sterk in de kerk aanwezig was, kreeg een enorme steun in de rug gekregen van de kerkvader die lust, zonde en seks zo direct met elkaar verbonden heeft.

De geheime kennis van de gnosis is dus alleen voor ingewijden te verkrijgen. De belangrijkste elementen van deze kennis zijn kosmisch dualisme, zelf-verlossing en holisme. Holisme is een modewoord geworden dat zo’n beetje alles kan betekenen tussen een futuristisch hologram en een intuïtieve weergave van het geestelijk universum. In de klassiek- gnostische zin wordt met holisme bedoeld dat alle soorten kennis eigenlijk één is. ‘Kent u zelf ’ schreven de oude Grieken al op de tempel in Delphi. Wie zichzelf kent, kent God, en wie God kent, kent de kosmos.

Alchemie

Deze manier van denken over kennis kreeg vooral in de late Middeleeuwen en in de Romantiek veel navolging. Middeleeuwse alchemisten als Nicholas Flamel (15e eeuw), Heinrich Cornelius Agrippa (1486-1535) en Paracelsus (1493-1541) waren een waar hoogtepunt in het holistisch denken. Natuurlijk kent iedereen de legendes rond de ‘Steen der Wijzen’. Alles wat deze steen aanraakt, verandert in goud. Toch is dit niet het hele verhaal. De oude alchemisten waren geen strikte chemici zoals we die nu kennen. Pas met de Verlichting en het Rationalisme werden de diverse
wetenschappen netjes van elkaar gescheiden. In de Middeleeuwen waren geleerden én filosoof én theoloog én bijvoorbeeld chemicus. De Engelse benaming voor de Steen der Wijzen is in deze zin ook duidelijker: The Philosopher’s Stone. De Middeleeuwse alchemisten waren op zoek naar verlichting, naar geestelijke ‘veredeling’. En omdat alles met alles te maken heeft, is het proces van het veredelen van metalen in principe hetzelfde als het veredelen van de menselijke ziel.

Later speelt de alchemie nog een belangrijk en terugkerend motief in de Romantiek. De bekendste voorbeelden hiervan zijn Mozart’s Die Zauberflöte en Goethe’s Faust. Beide werken beschrijven een ‘alchemistisch huwelijk’ tussen verschillende tegengestelde karakters en elementen als metafoor voor de geestelijke opgang van de menselijke ziel tot het goddelijke. Kunstschilders als Ferdinand Victor, Eugène Delacroix en Max Beckman en musici als Robert Schumann, Hector Berlioz, Charles
Gounod en Ferruccio Busoni geïnspireerd door het werk van Goethe.

Bron: Dit verhaal is eerder gepubliceerd in Centraal Weekblad.

Advertenties