Afgelopen weekend stond zuidelijk Nederland weer op zijn kop: drie dagen carnaval. Boven de grote rivieren vieren enkele dapperen een schuchter feestje op zaterdag en zondag, maar over de rivieren heen staat het openbare leven van zondag tot de dinsdag voor aswoensdag helemaal stil.

Je hoeft niet groot te zijn om te weten
dat we Oeteldonkers zijn
Met onze wortels in de schoot van het moeras
Toe laat me later als ik groot ben
als mijn ouders zijn
Met pet en kieltje en een rood-wit-gele das

Ooit… zijn wij allen samen
Ooit… dan staan wij hand in hand
Met die niet te tellen namen
Boeren, bouwers, peer of muzikant
Eert hen die ons vermaakten
Steeds in dienst van het geheel
Nooit hun levenswerk staakten
Ieder gaf zijn eigen deel

Ik droom als een Oeteldonker alle handen in elkaar
Wordt het licht voor eeuwig donker dan zijn al die mensen daar

Ooit zijn wij allen samen
Ooit… dan staan wij hand in hand
Met die nooit vergeten namen
En dan ongeacht hun rang of stand
Weet zonder echt te weten
Gij zult oogsten wat ge zaait
En wij mogen nooit vergeten
Waar ons Oeteldonk op draait

Ooit… zijn wij allen samen
Ooit… dan staan wij hand in hand
Met de allergrootste namen
Amadeiro’s met hun adjudant
Meer dan een mensenleven
Stonden zij steeds voor ons klaar
Eeuwig zijn zij trouw gebleven
Honderdeenentwintig jaar

Zo ook in Oeteldonk, één van de beroemdste carnavalssteden van Nederland en de rest van het jaar bekend als ’s-Hertogenbosch. Volgens velen (ja, ook in Limburg) vieren de kikvorsen (een ‘oetel’ is een kikker) het gezelligste carnaval van Nederland.

De KRO volgde vijf dagen lang het Oeteldonkse ‘spelleke’ in ‘Het gevoel van carnaval’. En presentator Fons van de Poel was oprecht verbaasd over de manier waarop de Bosschenaren hun spelletje bloed serieus nemen. Niet in de zin dat er niet gelachen wordt, dat wordt er heel veel, maar dat er onder deze oppervlakkige lol een diepere laag ligt. Terecht vraagt De Poel zich in de laatste aflevering af of deze drie dwaze dagen nu het spelleke zijn en de rest van het jaar de werkelijkheid, óf precies omgekeerd.

In 2003 schreven een Oeteldonkse vader en dochter, ter gelegenheid van het 121ste Bossche carnaval (11 x 11), het lied ‘Ooit’. Het werd een van de grootste carnavalskrakers van Oeteldonk en wedijvert sindsdien in populariteit met het officiële Oeteldonkse volkslied. ’s Avonds in de kroegen zingen groot en klein de tekst mee, vals, schor en vaak met een traan.

Het lied zingt over alle Oeteldonkers die overleden zijn, over het plezier dat ze ons gegeven hebben en dat wij ooit (weer) hand in hand zullen staan. “Ik droom als een Oeteldonker alle handen in elkaar. Wordt het licht voor eeuwig donker dan zijn al die mensen daar.”

“Weet zonder echt te weten, gij zult oogsten wat ge zaait. En wij mogen nooit vergeten waar ons Oeteldonk op draait: Ooit dan staan wij hand in hand met de allergrootste namen. Eeuwig zijn zij trouw gebleven: 121 jaar.

Ik woon al jaren in Den Bosch en vier al jaren het carnaval met hen mee. Ik ben maar een ‘buitenlander’, geen geboren en getogen Bosschenaar, maar ik zing en huil even hard mee. Het is maar een ‘spelleke’, maar wat spelen ze het mooi.

Wat met de carnavalsmis begint op zondag wordt zo elke carnavalsavond herhaald: het gebed van Oeteldonk.

Bron: Deze ‘popexegese’ is eerder gepubliceerd op het weblog Geert-Meike.nl van de Katholieke Theologische Universiteit (KTU) te Utrecht.